Geen school zonder luizen

Regelmatig worden huisgezinnen in de gegoede buurten opgeschrikt doordat de kinderen uit school komen met een briefje waarin de schooldirecteur waarschuwt dat er hoofdluis op school is gesignaleerd.

""Mensen denken dat luizen vies zijn, onhygiënisch, en dat ze daarom zelf geen luizen hebben, omdat ze immers schoon en proper zijn en iedere dag onder de douche gaan. Maar luizen trekken zich niet zoveel aan van de douche. Ze houden ook helemaal niet zo erg van vies haar. Ze zuigen bloed.''

Prof.dr. J. van Bronswijk van het Laboratorium voor Ectoparasitologie van de Utrechtse medische faculteit illustreert dat onmiddellijk met een dia: ""Kijk een luis. Die had ik op mijn arm gezet. Het donkere propje in zijn doorzichtige lijf is zijn eerste maaltje van mijn bloed.''

Luizen brengen geen ziekten over. Ze kunnen heftige jeuk veroorzaken, maar niet eens bij iedereen. In de krabsporen nestelen zich echter vaak bacteriën die infecties veroorzaken. Impetigo, etterige puistjes en blaasjes waar na openkrabben korsten op komen, is het gevolg. Bij kinderen met luizen ontstond impetigo (krentenbaard) in het gezicht.

De hoofdluis (Pediculus humanus capitis) legt eieren (de neten) in een korfje dat de luis eerst aan een haar heeft gebouwd, vrijwel waar hij de hoofdhuid uit komt. De neten doen er ongeveer een week over om uit te komen. De lege korfjes blijven zitten en worden meestal pas opgemerkt als het haar een eindje is gegroeid. Daar kan weken overheen gaan want haar groeit met ongeveer een centimeter per maand.

Van Bronswijk: ""De luis vindt niet iedere haarsoort aantrekkelijk. Zijn klauw past maar om één soort haardoorsnede. Er zijn ondersoorten met verschillende klauwvorm. In de VS zijn er veel die het haar van blanken prefereren. Daar komt hoofdluis ook veel vaker voor bij blanken dan bij zwarten. Misschien is het in Nederland ook wel zo dat luizen meer voorkomen bij autochtonen dan bij allochtonen, maar we weten het niet. Bij mijn weten komt luis niet vaker in de stad als op het platteland voor. En ook niet vaker in de lagere sociaal-economische klasse dan in de hogere. Niemand in Nederland houdt dit bij. Er is geen aangifteplicht voor pediculosis, omdat het geen ernstige infectieziekte is. Er is geen volksgezondheidsbelang.''

Het onderzoek van Van Bronswijk's groep in Utrecht is onlangs door de geneeskundefaculteit opgeheven. Ze wijkt uit naar haar aanstelling bij Bouwkunde aan de TU Eindhoven, waar ze zich bezig houdt met verbanden tussen allergie, binnenklimaat en huizenbouw.

De Haagse GGD telt sinds 1977 om de paar jaar het percentage kinderen met hoofdluis op een school in het Transvaalkwartier. In 1977 had bijna 6% levende hoofdluis. In de jaren tachtig daalde het tot bijna 3% en in 1991 werd bij 4% van de kinderen luis gevonden. Bijna het dubbel aantal kinderen had neten, ten teken dat ze de afgelopen maanden luizen hadden gehad.

Golfbewegingen

Luizenplagen treden volgens Van Bronswijk op in golfbewegingen met toppen om de ongeveer 25 jaar. Hoe die ontstaan is onduidelijk. Deze eeuw waren er hoogtepunten in de Eerste en Tweede Wereldoorlog en in de jaren '70. In beide oorlogen verplaatsten veel mensen zich - of werden verplaatst - en hadden niet de gelegenheid om zichzelf goed te verzorgen.

Van Bronswijk: ""In de hippietijd van de jaren 70 was lang haar mode en alleen daardoor al heb je een grotere kans hebt om haar aan te raken waardoor luizen kunnen overlopen. De omgangsvormen werden bovendien losser. Maar het kwam ongetwijfeld ook doordat de laatste grote luizenopleving alweer 25 jaar geleden was en uit het geheugen van de nieuwere generaties was verdwenen. Waarom er nu nog geen opleving is weet ik niet.''

Luizen lopen, ze springen niet. Buiten het lichaam, in jas, das of muts, of op meubeltextiel overleven ze een dagje. Onder schooltijd wandelen ze van de ene muts naar de das aan het haakje daarnaast. Maar ook in de tram of supermarkt kun je een luis oplopen. Luizen krijg je alleen van andere mensen, niet van huisdieren.

Netenkam

Van Bronswijk: ""Een luizenbriefje krijgen kinderen soms al mee als er maar bij één kind luizen zijn gevonden. Een adequate reactie is om alle gezinsleden met een anti-luizenmiddel te behandelen. Wie geen jeuk heeft kan toch besmet zijn. De stof- of netenkam helpt natuurlijk ook, maar die traditie is er niet meer, hoewel ze bij de drogist te koop liggen. Vroeger waren de moeders er veel kiener op. Als ik uit school kwam en op mijn hoofd krabde, pakte mijn moeder meteen de stofkam. Luizen verdwijnen niet vanzelf.''

Luizen worden meestal bestreden met een malathionoplossing. Het ontlokt Van Bronswijk de opmerking dat de middelen helaas als geneesmiddel zijn geregistreerd, niet als bestrijdingsmiddel: ""Er zitten nu schadelijke stoffen in die als bestrijdingsmiddel niet meer zouden zijn toegelaten.'' Enkele nieuwere maar duurdere middelen zijn iets minder schadelijk, maar er moet steeds zeer voorzichtig mee worden omgesprongen. De lege omhulsels van de neten blijven na behandeling zitten en zijn dus geen toetssteen voor het succes van de behandeling. Ze kunnen er met de netenkam uitgehaald worden.

Van Bronswijk: ""Ik schat dat ieder kind in de basisschooljaren gemiddeld een tot drie luizeninfecties doormaakt. Een echt luizenseizoen is er niet. Ze komen het hele jaar voor. De school waarschuwt zomers niet omdat het dan vakantie is. Als de jassen, dassen en mutsen op lange rijen naast elkaar in de gang hangen zijn er wel meer verspreidingsmodelijkheden. Maar zomers spelen kinderen met meer andere kinderen zodat er meer verspreidingsmogelijkheden zijn. In de herfst komen ze dan weer op hun school terug met de zomers opgelopen luizen. De heersende mode om met eigen jas de klas in te gaan, hem over de stoel te hangen of zelfs aan te houden zal de verspreiding wel tegen gaan. Je houdt je eigen luis, hè?''