Bekentenis (2)

Over het veel besproken boek van Crombag, Van Koppen en Wagenaar "Dubieuze zaken', is wel opgemerkt dat de auteurs er verstandig aan zouden hebben gedaan de tekst nog eens goed en (zelf)kritisch door te nemen alvorens deze te publiceren.

Dan zou het boek aan overtuigingskracht hebben gewonnen. Die opmerking heeft op Wagenaar haar algemene effect gemist. In zijn reactie op mijn betoog over de vereenvoudigingsprocedure begint hij met te stellen dat de Commissie Moons voorstelt met een bekentenis van de verdachte genoegen te nemen. Dat stelt de Commissie niet voor. Aan de regel, opgenomen in artikel 341 lid 4 in het Wetboek van Strafvordering, dat het bewijs niet uitsluitend op de opgaven van de verdachte mag worden aangenomen, tornt de Commissie niet. Indien Wagenaar het rapport had gelezen en van mijn kranteartikel zorgvuldig had kennis genomen, had hij dit ook zelf kunnen vaststellen. Ik herhaal: aan het bewijsrecht wil de Commissie niets, helemaal niets veranderen. Wie dan toch schrijft dat de Commissie voorstelt met een bekentenis genoegen te nemen, is te kwader trouw of heeft het rapport niet gelezen. In beide gevallen misleidt hij de lezer op grove wijze. Bovendien wordt het stuk beledigend waar hij beticht van het uit het oog verliezen van fundamentele uitgangspunten ter wille van de bezuinigingen: voor de Commissie noch voor mij zijn bekennende verdachten reeds schuldig voordat hun schuld is bewezen. Het zij nogmaals gezegd: de rechter behoudt geheel zijn eigen verantwoordelijkheid voor de bewijsvoering.

Wagenaar zal misschien na gedegen kennisneming van het rapport antwoorden dat de Commissie dan toch maar schrijft dat zij de vereenvoudigde procedure ontwerpt voor gevallen waarin slechts de vraag naar de op te leggen sanctie in het geding is. Ja, inderdaad, dat wil dus zeggen voor die gevallen waarin mede door de bekentenis slechts die vraag aan de orde is. Maar of dit laatste zo is, dat wordt door de rechter beslist. Die nuance is Wagenaar waarschijnlijk ontgaan.

De suggestie dat de rechter door de voorgestelde procedure buitenspel wordt gezet, indien het Openbaar Ministerie met de verdachte zou afspreken in ruil voor een bekentenis een niet te hoge straf te eisen, is van alle grond ontbloot. De rechter behoeft en behoort zo'n afspraak niet blind te aanvaarden. Zij bindt hem niet en hij zal steun voor die bekentenis moeten hebben, wil hij mogen veroordelen.

Kennisneming van de praktijk, de maatschappelijke werkelijkheid is van groot belang. Die opvatting deel ik. Wagenaar had dan kunnen leren dat de Commissie geen grote veranderingen voorstelt. Is die praktijk dan misschien zo slecht? Wagenaar komt dan aanzetten met gevallen die op de argeloze lezer wellicht indruk maken. De literatuur zou laten zien dat ongeveer 1 op 200 vonnissen een gerechtelijke dwaling is. Afgezien dat de bron waarnaar wordt verwezen dit cijfer daar niet noemt, weet ik niet wat Wagenaar nu onder dwalingen verstaat. Wordt het gebruikt voor gevallen waarin de rechter een fout heeft begaan zonder dat die fout noodzakelijkerwijs een materieel onjuist oordeel heeft teweeg gebracht? Dan wordt de term sterk opgerekt en suggereert het genoemde getal aanzienlijk meer dan bij een andere meer op het dagelijks taalgebruik georiënteerde betekenis van de term dwaling het geval zal zijn. Ik zou die term graag willen reserveren voor gevallen waarin het tot een materieel foutief en voor de betrokken verdachte nadelig oordeel is gekomen: de rechter heeft een "schuldig' uitgesproken, terwijl de verdachte onschuldig is. De auteurs van "Dubieuze zaken' hebben vele anderen en mij niet kunnen overtuigen dat in ook maar één van de 35 door hen bestudeerde zaken (die overigens geenszins representatief zijn voor het totale aanbod aan strafzaken) de rechters in deze zin hebben gedwaald.

Wagenaar zegt verder dat de geschiedenis van de gerechtelijke dwalingen vol is met afgedwongen bekentenissen, ook in ons land. Daarbij wijst hij opnieuw naar eigen werk. Ik heb daarin de grond voor die stelling niet kunnen lezen, tenzij Wagenaar het bewijs al geleverd acht door de in zijn verzameling voorkomende gevallen van bekentenissen die twijfel rechtvaardigen. Tegen die vorm van bewijsvoering heb ik met mijn volgens Wagenaar zo vreemde rechtsopvattingen bezwaren.

Wagenaar schrijft ook nog dat ik zou hebben beweerd dat een onschuldige verdachte niet zo dom zal zijn te bekennen. Die bewering is volgens hem naëf en ongegrond. Waar heb ik dat geschreven? Heeft Wagenaar het artikel dan toch echt niet gelezen. Hij houdt er een merkwaardige wijze van debatteren op na: schuif een ander een stelling toe en zeg dan dat dit naëf en ongegrond is.

We mogen van Wagenaar ook nog een advies ontvangen: laat bekentenissen niet meer als bewijsmiddel toe. Dat geluid hoorde ik in het voorjaar van 1992 op een colloquium in Spanje uit Zuidamerikaanse mond. Indien je een politieapparaat hebt dat systematisch verdachten dwingt te bekennen is het verdedigbaar dit euvel structureel te bestrijden. We spreken dan over een andere context dan de Nederlandse. Wagenaar voegt er nog een tweede argument aan toe: het zou bezuinigingen opleveren. Het gebruik van bekentenissen zou vaak tot "ingewikkelde juridische complicaties' (zijn er ook niet ingewikkelde complicaties?) leiden die een proces langdurig en kostbaar maken. Daarom zou de Commissie die toch uit is op bezuinigingen Wagenaars advies maar moeten opvolgen. Dat bezuinigingsoogmerk zou volgens Wagenaar toch al achter het onderhavige voorstel steken. Wagenaar dicht hier de Commissie een oogmerk toe dat zij niet heeft. Het gaat er de Commissie in de eerste plaats om de strafvordering te herijken. Dat kan soms tot bezuinigingen leiden, maar in andere gevallen weer niet. Zo zal het opvolgen van het rapport van de Commissie over tolken en vertalers een kostbare zaak zijn.

Op dit punt (de complicaties ten gevolge van bekentenissen) komt de aap uit de mouw: Wagenaar is kennelijk geobsedeert door de 35 gecompliceerde zaken die zijn trawanten en hem zijn aangedragen door advocaten. Hij beseft niet dat de Commissie spreekt over de duizenden gewone, niet spectaculaire zaken waarin onder invloed is gereden, gestolen, ingebroken, vernield, waarin de verdachte bekent, de rechter ander bewijsmateriaal heeft en er voor hem geen reden is die bekentenis buiten de deur te houden.

Zonder de Commissie te hebben geraadpleegd kan ik antwoorden dat Wagenaars absurde advies zeker niet zal worden opgevolgd. Daarmee verwerp ik niet de rode draad van "Dubieuze zaken'. Die onderschrijf ik, zoals Wagenaar elders heeft kunnen lezen. Helaas onderneemt ook deze auteur heftige pogingen medestanders tot tegenstanders te maken.