Bekentenis (1)

Prof.dr. W.A. Wagenaar schrijft over het voorstel van de Commissie Moons, om strafzaken waarin de verdachte bekent vereenvoudigd af te doen (W&O 4 febr.).

Zijn artikel is doortrokken van een grote mate van achterdocht en wantrouwen jegens hen die zich bezighouden met rechtspleging en de bestudering daarvan. Zozeer dat ik me afvraag welk systeem van rechtsvordering, van welke hemelse perfectie ook, daar nog tegenwicht aan zou kunnen bieden.

Erger is dat Wagenaar de suggestie wekt dat het voorstel tot wijziging van wet een principiële aardverschuiving inhoudt. Dat is niet zo. Als officier ben ik zelfs geneigd te zeggen dat we het zonder die nieuwe regels kunnen stellen, omdat zij ten opzichte van de huidige praktijk nauwelijks een wezenlijke verandering betekenen.

Nog erger is dat Wagenaar in zijn artikel bij de lezer de indruk vestigt, als zou volgens het voorstel iemand alleen op grond van zijn eigen (bekennende) verklaring kunnen worden veroordeeld. Dat is evenmin zo. Nog steeds zal de rechter verplicht zijn andere bewijsmiddelen bij zijn oordeel te betrekken en deze - zij het dan korter - in zijn vonnis te vermelden.

Bedacht moet worden dat een bekentenis niet is de enkele verklaring van verdachte: “ik heb het gedaan.” Nee, de politie noteert het verhaal van verdachte meer uitgebreid. De rechter toetst vervolgens die verklaring, op consistentie, details, meer bekennen dan mogelijk is, of meer ontkennen of niet weten, dan geloofwaardig is. Hij zet de verklaring ook af tegen de verdere inhoud van het proces-verbaal. In het nieuw voorgestelde systeem wordt dit niet anders. Met name geeft het wetsvoorstel geen aanleiding tot het voortaan opmaken van summiere processen-verbaal. Het blijft nodig gegevens over het strafbare feit te verzamelen, buiten de verklaring van verdachte. Overigens tekent verdachte zijn bekentenis pas, nadat hij in de gelegenheid is gesteld overleg te plegen met zijn advocaat. Dat voorschrift, een recht voor verdachte, is nieuw. Verplicht tot tekenen is verdachte uiteraard nooit.

Wagenaar moet zich verder realiseren dat, ook in de werkwijze van nu, een bekennende verdachte hoogst zelden wordt vrijgesproken. De overige bewijsmiddelen leiden de rechter kennelijk dus niet tot een andere conclusie dan die waarvan verdachte zelf het begin al had aangedragen. Met andere woorden, een bekentenis zegt veel en helpt de rechter een grote stap verder. Daar is niets mis mee, op voorwaarde dat de rechter die bekennende verklaring niet als zoete koek slikt. De praktijk laat zien dat hij dat ook niet doet. Wagenaar zal ermee moeten leven dat het rechtsbedrijf voor een heel groot deel afhankelijk is en blijft van verklaringen van mensen. Het komt gelukkig altijd nog het meeste voor dat er redenen zijn voor verdachte om te ontkennen in strijd met de waarheid, of voor een getuige om allerlei onwaarheden te vertellen, dan voor een verdachte om te bekennen terwijl hij het niet gedaan heeft. Wagenaar lijkt op zoek naar ijzeren zekerheid. Verklaringen van mensen brengen ons dat niet. De geoefend psycholoog voelt zich er bij uitstek niet zeker bij, daar heb ik op zich alle begrip voor. Maar is er een menselijke activiteit te noemen die wel staat voor honderd procent zekerheid?

Wagenaar besluit zijn artikel met een tegenvoorstel: bekentenissen mogen niet meetellen voor het bewijs. Dat voorstel volgen zou een ongewenste zekerheid met zich meebrengen, namelijk dat, voorzichtig geschat, zo'n 40% strafzaken minder zal worden opgelost en tot een (terechte) veroordeling zal leiden. Arme slachtoffers. Wordt dat hun zekere recht?

Met de slachtoffers stel ik Wagenaars' vraag opnieuw: hoe zit het eigenlijk met de rechten van verdachten en de plichten van rechters?