"Wettelijke basis convenanten is overbodig'

DEN HAAG, 17 FEBR. Het is niet nodig convenanten een wettelijke basis te geven in milieuwetgeving.

De algemene regeling die een convenant is, voegt niets toe aan het geldende recht en kan ook niet meer zekerheid bieden dan nu het geval is. Dit schrijft de Commissie voor de Toetsing van Wetgevingsprojecten, naar haar voorzitter ook wel commissie-Kortmann genoemd. Het advies was door minister Alders (milieu) aangevraagd naar aanleiding van onzekerheden bij de metaalindustrie over de status van convenanten. Bij het totstandkomen van een convenant met de basismetaal, stelde deze industrietak voor om convenanten in de Wet Milieubeheer op te nemen als criterium bij het verlenen van vergunningen. Alders meende echter dat wetgeving het uitgangspunt is en moet blijven.

Ook de Commissie voor de Toetsing van Wetgevingsprojecten meent nu dat een wettelijke basis voor convenanten in milieuwetgeving niets toevoegt aan de gebondenheid van partijen. Tegelijk zou een enkele verwijzing naar convenanten in de Wet Milieubeheer onvoldoende zijn. Ook regelgeving over definitie, aard, inhoud en procedure is dan noodzakelijk. Hiermee zouden de voordelen van convenanten als snelheid, vormvrijheid en flexibiliteit teniet worden gedaan. Met opneming in de wet wordt, aldus het advies, ook niet meer zekerheid geboden over het uiteindelijke resultaat, omdat convenanten nooit de wet kunnen doorkruisen.

De Commissie voor de Toetsing van Wetgevingsprojecten tekent hier wel bij aan dat het zaak is geen overspannen verwachtingen over convenanten te koesteren. Bindende afspraken kunnen alleen worden gemaakt tussen partijen die de bevoegdheid daartoe bezitten of daartoe gemachtigd zijn. Vanuit dat oogpunt is het convenant met de basismetaal, aldus de commissie, niet geheel doeltreffend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) die het mede heeft getekend kan gemeenten niet juridisch binden. Als binding van gemeenten wenselijk wordt geacht, zouden gemeenten zelf tot het convenant moeten toetreden.