Smaak is een kostbare uitzondering onder zakenlieden; Stijlvolle stijfheid of vormloos pastel

Oscar Wilde, een estheet pur sang, wist het al: Only fools don't judge by appearances. Hoe zou de schrijver een willekeurige ochtend voor de deur van het Amsterdamse hoofdkantoor van de ABN Amro hebben doorstaan? Nu waren zijn voorkeuren wat excentriek, maar wat er deze ochtend tussen acht en negen door de draaideur gaat van een instelling waar toch traditioneel gelet wordt op kleding, stemt ook niet-kledingfreaks somber. Mannen in vale trenchcoats, schoenen alsof de bankemployés bezig zijn met de Avondvierdaagse, witte sportsokken en daarboven vormloze pakken in pasteltinten.

Kwart voor negen arriveert Robert Hazelhoff, topman van de ABN Amro. Hij gaat gekleed in een pretentieloos pak, gekocht in een buurtwinkel in zijn woonplaats Huizen. “Ik steun de plaatselijke middenstand”, verklaart hij monter.

Minder begaan met de lokale neringdoenden lijkt de zich danig manifesterende collega van Hazelhoff, ex-topambtenaar Dick Meys. Meys betrekt zijn pinstripe-pakken bij het Londense Aquascutum, de exclusieve broer van het volkse Burberry's. De bankier tuigt zijn grijze verschijning op met kleurrijke accessoires - een rode pochet - en toont trots zijn felgestreepte zijden bretels die, zoals het hoort, met knoopjes aan de broek zijn bevestigd. Subtieler stapt zijn collega Michael Drabbe door het leven. Drabbe draagt een handgemaakte ruwe "sharkskin' - made in Hongkong - en heeft in de voetsporen van snelle beursjongens ter hoogte van de borstzak zijn initialen laten inweven.

Drabbe behoort tot het selecte gezelschap managers dat zichzelf de maat laat nemen in textielcentra als Londen en Hongkong. Klassiek is het verhaal van ex-Amro-bankier Fop Hoogendijk die in alle Europese hotels die hij frequenteerde een maatpak klaar liet hangen. Een praktische oplossing, want gesleep met koffers was er voor Hoogendijk nooit bij. Toch stuit de cultuur van Hoogendijk op weerstand bij de zuinige Amro-topman en ex-minister Roelof Nelissen. Een man die zich herkent in de stijl van Hoogendijk is Zweder van Hövell tot Westerflier, voorzitter van de hoofddirectie van Staal Bankiers. “Ik koop nooit kleding in Nederland”, bekent Van Hövell, die tijdens onze ontmoeting gekleed gaat in een "sharkskin' uit Hongkong en een overhemd van het gerenommeerde Brooks Brothers.

Van Hövell heeft oog voor detail: van de vier dicht tegen elkaar genaaide mouwknoopjes - kissing buttons - is er eentje open en zijn pak sluit goed om het lijf. “Cut to the bone”, zoals dat heet. “Mannen hebben op kledinggebied niets om mee te spelen, we hebben allemaal grijze pakken. Je móet het wel zoeken in details, ik zie meteen of de naden van een pak gepit zijn of niet.”

De advocatuur kent strikte kleedmores. Een kandidaat-stagiair die bij een groot kantoor gaat solliciteren in een oversized pastelkleurig pak, bloemetjesdas met dasclip, witte sokken en vlotte instappers, solt met ongeschreven regels. Hult men zich in dergelijke dont's, dan is de brief “Dank u, maar helaas” reeds bij binnenkomst in de maak.

Bij grote kantoren is stijlvolle stijfheid troef. Een partner van Clifford Chance beweert dwars door kleding heen te kijken. Iemand die er bij zijn sollicitatie verkeerd uitziet, heeft het gewoon nog niet door. Zo'n drama is dat niet, het kan ook een teken van nonconformisme of originaliteit zijn. Een vent in een rood pak kan een uitstekende advocaat worden.

In Engeland hanteren sommige advocatenkantoren geschreven kleedregels. Een strict dress code bevat informatie over de kleur van het pak, de snit van het hemd, de ideale schoen, de kleur van de sok en zelfs de plek waar de daspunt moet hangen. Wie in Nederland de bruine brogue draagt, gaat vrijuit, aldus iemand van Clifford Chance. Draag je diezelfde kleur schoen op een Engels advocatenkantoor, dan wordt er gevraagd of je die dag gaat paardrijden. Daar zijn schoenen zwart en anders niet. Wie daar een blazer draagt, wordt eraan herinnerd dat het nog geen weekend is.

In het Amerikaanse zakenleven speelt kleding een nog grotere rol. Daar beroepen ondernemingen zich vaak op een corporate culture, die hoofdzakelijk op uiterlijk blijkt te berusten. De IBM'er met zijn blauwe pak, witte hemd en rode das is een vaak aangehaald voorbeeld. Streephemden zijn in het Amerikaanse zakenleven hoe dan ook verdacht - gedragen door professoren, politici en andere "whimps'. In de consultancy geldt de regel dat een overhemd wit of lichtblauw is. Een McKinsey-man die zich opvallend uitdost, kan rekenen op gefronste wenkbrauwen van zijn bazen. De klant mag immers met alles geïmponeerd worden, behalve met uiterlijkheden.

Opzichtiger gaat het er in de masculiene wereld van de investment bankers aan toe. Dubbele manchetten en bretels zijn hier volop in zwang. Het archetype uit dit metier is het powersuit van de chief executive officer. Donkergrijze pinstripe, dubbele manchetten en een wit shirt. De zijden das is uitgevoerd in een felle kleur: rood of geel en soms roze. Een opmerkelijk verschil met Nederland, waar een groot deel van het hogere kader nog rondloopt met een onderhoudsvriendelijke polyester das.

Multinationals laten zich, mede door het bestaan van onafhankelijk opererende werkmaatschappijen, moeilijker in één garderobe vangen. Op de foto in het jaarverslag van Shell is het verschil tussen de Nederlanders, vaak Delftse ingenieurs, en de Britten onmiskenbaar. De gaande topman Lo van Wachem en zijn collega Henny de Ruiter ogen fantasieloos, terwijl de excentrieke Sir Peter Holmes gekleed gaat zoals men dat van een Sir Peter verwacht.

In het buitenland lijkt men speelser om te gaan met afwijkende kledij. Daar kan de eigenaardigheid van een machtig persoon zelfs uitgroeien tot trend. Neem Fiat-eigenaar Gianni Agnelli. Hij draagt z'n button-down hemd, overigens een on-Italiaanse voorkeur, met een das, maar hij laat de kraag altijd los van de paarlemoeren knoopjes. Andere in het oog springende bijzonderheid is het horloge dat Agnelli over z'n manchet draagt, een fenomeen dat werd nageaapt door media-magnaat Silvio Berlusconi. Italianen, zeker die met een belangrijke functie, zijn maniakaal als het op kleding aankomt. Ze hullen zich nimmer in een geplakt pak.

Slechts een select clubje mannen gunt zich de bekoringen van een maatpak. Akzo-topman Aarnout Loudon bijvoorbeeld, maar zijn vice-voorzitter Cees van Lede behelpt zich met shirts van het Bijenkorf-huismerk. Ook het genot van de kleermaker aan huis lijkt slechts voor enkelingen weggelegd. Domhoff Travelling Tailors uit Haarlem legt zich toe op deze niche in de markt, maar de tijd dat Domhoff tientallen kleermakers aan het werk had is definitief voorbij. Dragers van maatpakken herkennen elkaar aan de gedetailleerde afwerking.

Op Europese luchthavens valt op basis van kleding de nationaliteit te ontmaskeren. Natuurlijk bestaat er uniformiteit onder de zakenreizigers, maar het ene grijze pak is het andere niet, en ook de zwarte schoen kent vele gedaanten. Vooral wat dat laatste betreft presenteert de Nederlander zich treurig. Vanwaar toch die voorkeur voor grof omrande schoenen met zolen die voor de eeuwigheid gemaakt lijken te zijn? Verplicht het klimaat ons tot dergelijke robuustheid? De Brit, die toch evenveel nattigheid krijgt te verduren, loopt doorgaans op heel wat eleganter schoeisel rond.

Symbolisch voor de Nederlandse soberheid is de overkill aan plastic koffers. Een internationaal opererende Amerikaan, Brit of Italiaan vertoont zich met een tas of koffer van leer.

Enkele cijfers van het CBS bieden opheldering. Daaruit blijkt dat de Nederlandse man in vergelijking met zijn Europese evenknie opvallend weinig aan kleding en schoeisel spendeert. Een CBS-onderzoek uit 1989 toonde aan dat de Nederlandse man per jaar slechts vijftien gulden aan sokken besteedde. Zeer recente CBS-cijfers tonen aan dat een huishouden met een netto-inkomen van tachtigduizend gulden ruim zesduizend gulden aan kleding uitgeeft. Voor de man resteert een kleedbudget van zo'n dertienhonderd gulden, waarvan 237 gulden wordt besteed aan schoenen.

En dan te bedenken dat de stevige stappers van marktleider Van Bommel minimaal driehonderd gulden moeten kosten. Een Nederlander mag dan tachtig mille te verteren hebben, het is lastig om een garderobe in eigen land samen te stellen. Uitgezonderd een financieel bijna onneembare veste als de kledingketen Pauw, hangen betere Italiaanse en Britse pakken zelden in het rek van de Hollandse winkelier. Wie ziet immers dat er dertig uur handwerk ligt verscholen in een pak van het Romeinse merk Brioni? De Nederlander niet, die kijkt alleen naar het gapende gat van vierduizend gulden in zijn portemonnee.