Schlagt ihn Tod!

Dat een klein talent, na een bundeltje te hebben gepubliceerd, met hartkloppingen naar de brievenbus rent om te zien hoe de krant over hem oordeelt, valt te begrijpen. Dat hij hemelhoog juicht om elk schouderklopje en zum Tode bedroefd is over elke kritische noot, dat is het lot van het weifelende talent.

Maar overgevoeligheid voor kritiek is geen privilege van beginnelingen en amateurs. Ook schrijvers die toch beter konden weten en al half en half waren bijgezet in de kast van de klassieken leden eraan.

Gerrit Achterberg raakte ondersteboven als iemand over zijn poëzie een opmerking maakte waarin hij iets negatiefs kon vermoeden.

“Al schreef de meest onbetekenende dwaas”, heet het over Kavafis, “zelfs maar twee woorden tegen hem, dan sliep hij niet meer en was hij volkomen van de kaart.”

Het bleef niet altijd bij twee woorden of het vermoeden van gif in een liefkozing. Zowel Achterberg als Kavafis heeft hevige aanvallen te verduren gehad.

Ze hielden zich staande tegen de striemen en pijlen, omdat ze geloofden in hun kunst. Helaas houden ook de kleine talenten, die niets hebben om in te geloven, het meestal aardig vol.

Dit is geen pleidooi voor meer zachtzinnigheid in de kritiek.

Het is in de literatuur altijd oorlog geweest.

“Ik moet mijn esthetische en ethische begrip geweld aandoen om bij hem talenten te vinden, die volstrekt niet aanwezig zijn”, schreef ooit iemand over Shakespeare.

“Wie hem tien minuten lang hardop leest begint uit zijn mond te stinken”, oordeelde een ander over André Gide.

“Ze is dom, ze is omslachtig, ze is een kletskous”, aldus een derde over George Sand.

Het waren geen recensenten die dat zeiden. Het waren andere kunstenaars. Respectievelijk, als u het wilt weten, Tolstoj, Picabia en Baudelaire.

Toch lijken schrijvers eerder door recensenten dan door hun collega's van de kaart te raken. Alsof het bij opmerkingen van recensenten niet óók - net als bij kritiek van broeders in de kunst - om een verschil van smaak, een oude vete of een standpunt in een richtingenstrijd zou kunnen gaan, maar om iets van een objectief oordeel. Om het geblaf van een onafhankelijke en niemand ontziende waakhond.

Zonderling waanidee...

Schlagt ihn Tod, den Hund! Es ist ein Rezensent, riep Goethe.

Goethe kon het weten.

Een flink aantal insinuaties en kwaadwillende vijandigheden, tijdens zijn leven door de kritiek naar zijn hoofd geslingerd, kan men nalezen in Der unbegabte Goethe, verzameld door Leo Schidrowitz. Goethes Faust wordt in een bespreking “een diarree van onverteerde ideeën” genoemd. Er verscheen een essay met als titel: Bewijs, dat de heer Goethe slecht Duits schrijft.

Op de literatuurgeschiedenis heeft dit allemaal de uitwerking gehad van een kiezelsteentje in een vijver.

Dat onze klassieke schrijvers, de olympiërs en onbetwiste kampioenen, de helden van schoolboek en kalenderblad, al even erg te lijden hebben gehad van de kritiek, het is achteraf niet meer van belang.

Of mijn collega's van nu hierin een aansporing moeten zien tot meer nederigheid (omdat lof en roem van tijdgenoten geen garantie bieden), of juist een rechtvaardigingsgrond voor hun welverdiende onsterfelijkheid (omdat de onsterfelijken ook hun vitters kenden), ik laat het in het midden.