Raad: kamermuziek behoeft meer steun

DEN HAAG, 17 FEBR. De subsidie voor de Nederlandse kamermuziek is te gering om optimaal te kunnen profiteren van de goede voorzieningen op dit gebied. Dit schrijft de Raad voor de Kunst in een gisteren verstuurd advies aan minister d'Ancona (WVC).

In totaal krijgt de hele muzieksector in het Kunstenplan een subsidiebedrag van 97 miljoen gulden, waarvan ongeveer 83 miljoen naar de symfonieorkesten en middelgrote ensembles gaat en 3,5 miljoen naar de kamermuziek. Om die "wanverhouding' recht te trekken zou er minstens een miljoen extra verdeeld moeten worden in de kamermuzieksector, aldus de raad. De minister stelde echter de helft van dat bedrag beschikbaar.

De raad stelt voor deze 0,5 miljoen extra op kamermuziekbudget, te verdelen onder het Fonds voor de Podiumkunsten, het Nederlands Impresariaat, De IJsbreker en Zaal De Unie, elk een ton, en de stichting Gaudeamus en Organisatie Oude Muziek elk een halve ton.

Dit geld moet voor een belangrijk deel besteed worden aan "internationalisering'. Want de positie van de binnenslands succesvolle Nederlandse kamermusici op de buitenlandse markt laat te wensen over, aldus de raad. Ook besteden conservatoria te weinig aandacht aan deze sector. De raad wijst er ook op dat de honoraria van de kamermusici, gezien de tijd die nodig is om een goed artistiek resultaat te behalen, aanzienlijk lager zijn dan die van orkestmusici. Maar aangezien de extra subsidie niet toereikend is, kunnen de honoraria niet substantieel verhoogd worden, aldus de raad.

De indruk dat binnen de kamermuzieksector de moderne muziek zwaarder gesteund wordt dan de klassiek-romantische of oude muziek, is onjuist aldus de raad. Die situatie doet zich alleen voor bij gedirigeerde ensembles. Aan een instantie die zich speciaal inzet voor het klassiek-romantische repertoire bestaat volgens de raad ook geen behoefte.

Er zou een apart beleid voor de bevordering van kamermuziekbeoefening (voor ensembles minder dan tien musici) moeten komen, meent de raad.