Premier Lubbers loopt op eieren in Cambridge

CAMBRIDGE, 17 FEBR. Het was van het begin af aan een hachelijke onderneming geweest: premier Lubbers die in Engeland een voordracht kwam houden over Europa op een moment dat Westminster voor de zoveelste keer politiek in lichterlaaie staat over Maastricht. In de eerste William and Mary-lezing, in Cambridge, waagde de Nederlandse premier het de Britten op milde wijze een spiegel voor te houden over hun eigen Europa-fobie.

Premier John Major, die is uitgenodigd om de tweede voordracht, volgend jaar in Leiden, te verzorgen, verweerde zich intussen in het Lagerhuis tegen het imago van “een louche zakenman die een advocaat van kwade zaken in de arm moet nemen” ten einde het Verdrag van Maastricht geratificeerd te krijgen. De Britse ambassadeur in Den Haag, Sir Michael Jenkins, viel daardoor de eer te beurt dat hij als prominentste vertegenwoordiger van de regering in een zee van professoren de speldeprikken van premier Lubbers in ontvangst mocht nemen. Hij genoot zichtbaar.

In "Europa, een continent van tradities' betoogde premier Lubbers dat een Europa zonder Groot-Brittannië die naam niet verdient, dat een keuze vóór Europa niet een keuze tegen de Verenigde Staten hoeft te betekenen en dat verlies aan nationale identiteit niet aan de orde is.

“Kijk naar ons Nederlanders”, zei hij op een vraag uit de zaal. “Zuchten wij niet al 40 jaar onder die zogenaamde slavernij van een Verenigd Europa? En toch: wij zijn nog steeds zo Hollands als het maar kan. Aan onze identiteit is niets veranderd. Terwijl u hier (...)” Hij maakte zijn zin niet af maar dook weg in de kraag van zijn jasje. De zaal lachte beschaafd, maar waarderend.

Gevaarlijker terrein betrad de premier door uitvoerig te herinneren aan de Nederlandse stadhouder en Britse koning William III en diens relatie met het (soevereine) parlement. Op de dag dat het huidige Britse parlement zich afvraagt of het door de regering als een irrelevantie wordt beschouwd als het gaat om de ratificatie van Lubbers' "Maastricht' werd elke uitspraak in die zin pikant.

Maar er waren voor de goede verstaander meer voorbeelden van indirecte tikjes op de vingers van de Britse gastheer: Lubbers' pleidooi voor het creëren van een gevoel van één gemeenschap - door inkomensverschillen tussen rijk en arm niet te groot te laten worden - stond gelijk aan een onderdompeling in een bad koud water voor een gehoor dat de extremen van zeer rijk en straatarm in dit land dagelijks voor ogen heeft. Lubbers verving Majors classless society door het concept van een responsible society. En de resten van Thatchers There is no society blies hij weg door de uitspraak: “Je kunt alleen spreken van een samenleving wanneer die is gegrondvest op onderlinge solidariteit.”

De Nederlanders onder het gehoor van Lubbers straalden na afloop over zoveel durf van hun premier. De Britten waren verdeeld: òf toch al pro-Europees en daarom aanwezig òf diep teleurgesteld over de inhoud van de toespraak. Maar dat was dan omdat zij hem niet hadden kunnen verstaan. Want, echt Brits, voor de helft van de zaal was de geluidsinstallatie uitgevallen.