Maestro ohne Worte

Vanmorgen was het al bijna gewoon. Jevgeni Svetlanov voor "zijn' Residentie Orkest. Een wonder in wording.

De eerste symphonie van Brahms staat op de lessenaar. Een volle, warme klank vult de dr. Anton Philipszaal in Den Haag. De grote handen kneden de muziek. Het gedrongen lijf, geperst in een tot boven aan toe gesloten zwarte bloes met witte knoopjes, maakt alles duidelijk. De muziek is er al bijna, stevig, romantisch, fijn, maar niet sentimenteel.

“Number Ten. Together. Pianissimo. Good aber light, poem-poem-poem.” Stop. De celli moeten even anders tellen. De violen wordt een vibrato voorgekieteld. “Very good, thirty faif, trumpets and tuba, less crescendo.” Nog een keer. “Good aber short”. Het orkest verstaat de code. En groeit.

Gisteren was het alleen maar afwachten. Tegen half tien, gedrentel bij de artiesteningang. Het Residentieorkest verwacht zijn nieuwe chef dirigent. Anderhalf jaar geleden heeft hij hier met eclatant succes gedirigeerd. Nu is hij de nieuwe eerste man. Het orkest, na barre jaren zonder vaste zaal en zonder geluk in zijn dirigentenkeuze, hunkert naar bezieling en erkenning.

Een plukje vreemdelingen vervoegt zich bij de onooglijke entree, tussen de kolos van het ministerie van binnenlandse zaken en het stadhuis-in-aanbouw. De betonmolens en hijskranen staan waarschijnlijk niet in het stevig bevochten contract, maar zij piepen van vreugde.

Hij lijkt niet erg op de beelden, maar dat moet hem zijn, een fiere man op enige leeftijd, met blondwitte manen en de blik van iemand die gewend is bewondering te incasseren. In zijn gevolg een kleine, gezette, mag men zeggen typisch Russische vrouw en een weinig grotere, uitdrukkingloze landgenoot, een soort Chroestsjov in zo'n oerlelijk zwart-rood jack dat we kennen van voetbalploegen uit Moskou; de laatste draagt een in plastic hangend kledingstuk aan een haak. Kennelijk voor de maestro.

Het groepje wordt met eenvoudig eerbetoon binnengeloodst. Zondag heeft het orkest Svetlanov al met koperblazers op Schiphol ingehaald. Een on-Hollandse geste om een groot buitenlands musicus te laten weten dat hij welkom is. Wie weet wat hij ervan dacht: "zal wel een typisch Hollandse gewoonte zijn, lag ik maar in een Russisch bed om m'n jet lag in te halen, maar heel vriendelijk van die mensen.'

De trotse eigen zaal van het Residentie Orkest is leeg. Op het podium is het licht opgetogen ge-stem van instrumenten al voorbij als de nieuwe chef voor het eerst opkomt. Het is de uitdrukkingloze man in het jack met de klerenhanger. De held die hem voorging was zijn Zweedse impresario, die waarschijnlijk liep te becijferen hoe veel hij met zijn raspaard in dit gebouw per minuut zou gaan binnenhalen.

Alle aandacht is op Svetlanov gericht. Hij zit op een hoge kruk achter een vlakke lessenaar. Geheel in het zwart, broek, bloes, dun vest, alles zwart. Het orkest, dat in alle opzichten gezworven heeft sinds het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen op achttien december 1964 afbrandde, zal iedere wijsheid indrinken. Wat zijn de eerste woorden van de 64-jarige man die het eind van de ellende belichaamt, wat heeft zo iemand te zeggen, hoe begint hij?

Met kijken. Hij overziet het orkest rustig, met gezag, maar zonder een dirigenterige pose aan te nemen. Dan zegt hij: “Four”, steekt vier vingers ter illustratie van zijn voornemen in vieren te beginnen. “One, two,..” De repetitie van Rimski-Korsakovs Antar Symphonie is bezig.

Zonder instrumenten is zo'n orkest niet te onderscheiden van een korfbalclub op reis. De kleding is makkelijk op het grijze af. Gewone mensen in soorten en maten, geen kunstenaars in uiterlijk of gedrag. Dit is het Concertgebouworkest niet. Misschien ook een reden waarom Svetlanovs persoonlijkheid in Den Haag aansprak. Hij is uitsluitend in de muziek geïnteresseerd.

Alleen met snelle beweginkjes van zijn kaken, alsof een straffe bries een vijver beroert, verraadt Svetlanov spanning. Volgende stukje. “Two”. Af en toe moedigt hij het koper aan tot wat meer kracht. Later zeggen de trombonespelers: Eindelijk iemand die iets van ons instrument weet. Even gaat hij half staan en gebaart de houtblazers de volle romantiek van een passage reliëf te geven. Meestal zwaait hij summier, rechts de maat, links de rest. Het is een eerste doorloop. Het orkest heeft dit stuk nog nooit gespeeld.

Een climax verloopt goed, boem, pats, stil. Zegt de maestro iets aardigs? Is hij tevreden? De eerste kritiek? De maestro kijkt op zijn horloge.

In oktober '91, toen hij het orkest in een week voor zich won, sprak hij even weinig. Orkestleden herinneren zich dat hij af en toe onverwachts één of twee woorden uitstootte. Zoals “Crescendo Kaput!”, “Obertöne”, “Weiter”. En “Pauze”. Zo ook nu. Na een half uurtje koffie kijkt hij de musici aan en lijkt zich toch op te maken voor een korte toespraak.

Misschien iets over de Eerste symphonie van Brahms die nu aan de beurt is. Svetlanov wijst op de partituur van Rimksi-Korsakov, de componist die nog met zijn grootvader, een bekend muziekcriticus, bevriend was. “Mein Materiell”, komt er uit. Een lachje ontdooit de Russische kop. Dan maakt hij een vioolstrijkgebaar. Komt niet op nog meer woorden en eindigt zijn korte exposé met “Ja”.

Dat is dat. Niks Brahms, opnieuw de Antar. Na één maat wordt al afgezwaaid. “Zusammen”. Die liegt er niet om. Bij deze tweede doorloop worden meer lijnen getrokken. De dirigent neuriet soms mee en roept “Accent!” De dwarsfluit moet opnieuw inzetten “Six, eight”, en als het beter gaat “Jawohl”.

Praat hij in eigen land, waar hij een van de groten is, veel meer? Zijn landgenote Marktina Faina, die vooraan zit bij de tweede violen, weet dat hij in Rusland af en toe ook een werkwoord gebruikt. “Hij is een groot musicus. Misschien van de oude Russische school die weet dat je moet doen wat er in de partituur staat. Gewoon noten spelen in de aangegeven maat. En niet te veel interpreteren.”

In de kleedkamer zit de dirigent na afloop van de eerste repetitie met "zijn' Residentie Orkest uit te blazen, de gemiste nachtrust na optredens in Tokio en Moskou doet zich voelen. Het turquoise handdoekje, waar hij tijdens het werk af en toe het gelaat mee dept, ligt nu gevouwen op zijn knieën. De handen devoot erop.

Belemmert de taalbarrière hem in zijn contact met het orkest? “Ja, ik kan niet voor honderd procent zeggen wat ik wil.” De ogen vechten tegen de slaap. Mevrouw Nina Svetlanova weet van geen moeheid. “Voor zover ik weet heeft mijn man nooit problemen. Hij houdt niet veel van praten. Dat doet hij in Rusland ook niet. Musici bij ons zeggen vaak: als hij op de bok staat weten we wat hij bedoelt.”