Lichtvoetige regie van Van Assche doet stuk Botho Strauss recht

Voorstelling: Groot en Klein van Botho Strauss door De Tijd. Regie en vertaling: Johan van Assche. Spel: Arlette Weygers, Lucas Vandervost, Lucas Van den Eynde, Warre Borgmans en Eugène Bervoets. Decor: Johan Daenen en Valentine Kempynck. Gezien: 16/2 De Brakke Grond, Amsterdam. Nog t/m 20/2 aldaar.

Het toneelwerk van Botho Strauss balanceert op de rand van de edelkitsch. Strauss windt zich vaak op over de pretentieuze prietpraat van intellectuelen, maar zijn eigen stukken maken dikwijls geen minder pretentieuze en geforceerde indruk. Over de kwesties die hij in de jaren zeventig aan de orde stelde lijkt inmiddels alles al gezegd. Dat bijvoorbeeld de intermenselijke communicatie er door de opkomst van de moderne communicatiemiddelen niet op vooruit is gegaan, een lievelingsthema van Botho Strauss - daar zullen vandaag de dag maar weinig mensen van opkijken.

Toch wordt zijn werk nog volop gespeeld. Het Antwerpse gezelschap De Tijd wijdt zich dit seizoen zelfs uitsluitend aan Botho Strauss. Groot en Klein (1978), dat tot een paar dagen geleden ook op het repertoire van De Appel prijkte, is bij De Tijd het tweede Strauss-stuk uit een reeks die met De hypochonders begon en die met Slotkoor zal worden afgesloten.

Bij De Appel legde regisseur Aus Greidanus zijn engagement er duimendik bovenop. Om het publiek goed te laten voelen wat onze kille consumptiemaatschappij de kwetsbaren allemaal aandoet had hij zijn montage hier en daar flink vereenvoudigd. Ik vond het geheel een beetje klef en kinderachtig.

Een pluspunt van Johan van Assches regie is alvast dat hj de tekst geheel intact gelaten heeft. Zijn regie is minder dwingend - en minder betuttelend. In tegenstelling tot de goedige en tamelijk seksloze Lotte van De Appel (Sacha Bulthuis) kent deze Lotte (Arlette Weygers) ook emoties als woede en geilheid. In de eerste scène zit ze moederziel alleen in de lounge van een Marokkaans hotel. Ze draagt een witte doorschijnende jurk en ze luistert vol verlangen naar de diepe stemmen van twee mannen die over het terras flaneren, maar van een ontmoeting komt niets terecht. Lotte, die steeds verwoedere pogingen doet om contact met anderen te maken, is overal overbodig. Haar tocht langs ongelukkige stelletjes, ruziënde familieleden en lijm snuivende ouden van dagen is een kruisweg die wel waanzin, maar geen verlossing brengt.

Heel subtiel toont Van Assche hoe Lottes ondraaglijke eenzaamheid haar allengs in Gods armen drijft. Zo zien we in een fractie van een seconde op een dia de bloedende rug van Christus. Wat later begint ook Lottes eigen rug te bloeden; de druppels vallen op de witte bladzijden van een manshoog boek en vormen de woorden GELOOF-LIEFDE-HOOP. Aus Greidanus moffelde dit religieuze aspect volledig weg en toch is juist deze scène de belangrijkste van het hele stuk. Daarin zegt Lotte namelijk precies waar het in Strauss' parabel om gaat: "Wij vallen niet zoals zo vaak gedroomd, wij vliegen opwaarts uit elkaar."

Zoveel ernst kan wel wat tegenwicht gebruiken. Daarom stoorde het mij helemaal niet dat de talloze bijfiguren nogal karikaturaal waren neergezet. Vier mannen nemen tevens alle vrouwenrollen voor hun rekening, van de jonge vrouw die niet verdragen kan dat haar man in haar slaap naar haar kijkt tot de zwangere vrouw bij de internist. De kostuums van de bijfiguren hebben allemaal een grote rits van achteren, als verkeerd aangetrokken overalls: acteurs zijn ook maar werklui.

Pas wanneer een stuk van Strauss op zo'n lichtvoetige - en misschien juist daardoor zo ontroerende manier gespeeld wordt merk je hoeveel kwaliteit er in zijn teksten schuilt.