Kritiek op kwaliteit van gerechtelijke geneeskunde

ROTTERDAM, 17 FEBR. De zorg voor de kwaliteit van de gerechtelijke (forensische) geneeskunde laat veel te wensen over. Daardoor is het bijna niet te vermijden dat af en toe ernstige fouten worden gemaakt. Dit blijkt uit het rapport van de geneeskundige inspectie dat gisteren is gepubliceerd.

Gestructureerde aandacht voor de veiligheid en de rechtspositie van de arrestant ontbreekt doorgaans. Als zwakke schakels noemt de inspectie vooral de medicatiebewaking en het beheer van de dossiers.

Het onderzoek betrof vooral de zorg voor arrestanten, de lijkschouw, en onderzoek van en rapportage over slachtoffers van geweld en arrestanten. De organisatie van de forensische dienstverlening blijkt sterk uiteen te lopen. Dat komt doordat de betrokken artsen in verschillende organisatorische verbanden werken. Het schort volgens de inspectie nogal eens aan de nodige afstemming tussen de artsen en politie en justitie.

De inspectie dringt er op aan snel te komen met een in de praktijk bruikbare afbakening van het begrip “forensische geneeskunde”. Daarop zou dan de organisatie kunnen worden afgestemd. Ze stelt voor om de GGD daar een coördinerende rol in te geven. Verder is er behoefte aan “ondubbelzinnige” kwaliteitsnormen. Volgens de inspectie moet het Forensisch Medisch Genootschap daar het initiatief toe nemen.

De zorg voor mensen die zich onder de hoede van politie of justitie bevinden vraagt bijzondere aandacht, aldus de inspectie. Ze stelt ook dat een oplossing moet worden gevonden voor de problemen bij de financiering van de forensische zorg.

De inspectie, die het onderzoek in 1992 uitvoerde, baseert haar resultaten op een schriftelijke enquête onder alle GGD'en en vraaggesprekken met forensisch geneeskundigen (huisartsen en GGD-artsen) en politiefunctionarissen in twintig gemeenten.