Klagers in nood

Ploos van Amstel, Klager in nood, 71 blz., Staatsuitgeverij, 19,90 gulden; Smit, Nationale ombudsman en fiscaliteit, 83 blz., Uitgeverij FED, 49 gulden.

Onoverkomelijke problemen tussen fiscus en belastingbetaler belanden meestal bij de belastingrechter.

Zo'n rechtszaak is vaak duur en tijdrovend. De staatssecretaris van financiën wil bovendien dat de procederende burger soms ook de kosten van de belastingdienst draagt. Maar de gang naar de rechter heeft meer beperkingen: hij mag de inspecteur alleen beoordelen op de rechtmatigheid van zijn optreden. Het komt voor dat de rechter een volstrekt onredelijk handelende inspecteur tandenknarsend gelijk geeft omdat er vanuit een louter formeel standpunt met de belastingaanslag niets mis is. In zo'n geval had de burger beter een andere klachtinstantie kunnen kiezen.

Twee belangrijke en onderschatte instanties zijn de Nationale ombudsman en de Commissie voor de Verzoekschriften van de Tweede Kamer. Zij zijn bij uitstek actief op het fiscale terrein. Toch zijn er pas sinds kort twee hierop toegespitste boeken. Het eerste is van de griffier van de Commissie voor de Verzoekschriften, mr. G.J. Ploos van Amstel. Bij zijn afscheid gisteren presenteerde hij een boekje over het commissiewerk met de titel Klager in nood.

De commissie, bestaande uit negen Kamerleden, beoordeelt individuele klachten over overheidsbeleid. Daarbij behandelt zij jaarlijks ruim 200 fiscale verzoekschriften. De vraag of een belastinginspecteur formeel gezien zijn boekje al dan niet te buiten is gegaan, blijft exclusief voor de rechter. De commissie gaat wel na of bij voorbeeld een wettelijk juiste beslissing van de inspecteur door bijzondere omstandigheden volstrekt onredelijk uitpakt. Door toepassing van de zogenaamde hardheidsclausule kan zo'n beslissing worden teruggedraaid. Ook met invorderingsproblemen houdt de commissie zich bezig. Het gaat dan om mensen die menen dat de fiscus onredelijk hard optreedt bij het innen van een belastingschuld. Van hen vinden maar weinigen daadwerkelijk steun bij de commissie. Wel meent Ploos dat er een betere bescherming moet komen voor belastingschuldigen die door de belastingdienst worden gedwongen hun huis met verlies te verkopen. De scheidende griffier signaleert gevallen waarin zulke mensen nodeloos op een bijstandsuitkering worden teruggeworpen.

Ook de Nationale ombudsman, mr.drs. M. Oosting, blijft buiten de rechtmatigheidsvragen die de rechter onderzoekt; hij beoordeelt klachten over het optreden van de fiscus. Dat blijkt in twee van de drie door de ombudsman beoordeelde zaken niet behoorlijk te zijn geweest. Veelal was de inspecteur te traag; in heel wat andere situaties was iets mis met de informatieverstrekking door de belastingdienst. Onderzoeken van de ombudsman hebben talrijke verborgen problemen bij de reorganisatie van de belastingdienst aan het licht gebracht. Anders dan de verzoekschriftencommissie argumenteert Oosting uitvoerig waarom een bepaald type optreden al dan niet aanvaardbaar is. Daarom is het onbegrijpelijk dat staatssecretaris Van Amelsvoort (financiën) bij het opstellen van het Belastingstatuut die ombudsmannormen zonder commentaar links heeft laten liggen en eigen normen hanteert die voor de fiscus soepeler zijn.

Zowel de commissie als de ombudsman hebben het voordeel dat ze veel sneller werken dan de rechter. Hun tussenkomst is kosteloos en dikwijls effectief. Van de belastingdienst krijgen ze loyale medewerking. Anders dan de rechter hebben ze inzage in het complete dossier. Ze voeren hun onderzoek onbevooroordeeld uit; er bestaat niet op voorhand sympathie voor de klager of de fiscus. Maar het zal bij hen niet voorkomen dat een belastingbetaler ongelijk krijgt, louter en alleen omdat hij de fijne kneepjes van de procestechniek niet beheerst. Iets wat in het systeem van de belastingrechtspraak wel kan gebeuren. Dat alles neemt niet weg dat men bij formele geschillen niet om de rechter heen kan.

De ombudsman en de verzoekschriftencommissie hebben beide moeten vechten om door de overheid serieus te worden genomen. Oostings voorganger heeft, na jarenlange conflicten met Financiën, pas na ingrijpen van de Tweede Kamer een breed werkterrein kunnen veiligstellen. De verzoekschriftencommissie heeft in het begin van de jaren tachtig op haar strepen moeten staan om te bereiken dat de overheid haar vragen snel beantwoordt. Ook onderling was het tussen beide instanties niet altijd koek en ei. Korte tijd was zelfs sprake van een zekere concurrentie en animositeit. Ondanks verschillende uitgangspunten is hun werkterrein namelijk vrijwel identiek. Een klager kan niet uitproberen welk van de twee instanties hem het meest welgezind is. Hij moet vooraf een keuze maken. Daarbij kunnen de beide nu verschenen boekjes een steun zijn.