Het softe tijdperk lijkt ten einde in nationale zwembond

GELSENKIRCHEN, 17 FEBR. De zwemsport leek in Nederland vooral een kwestie te zijn geworden van pappen en nat houden. In royale golven sloegen de uitvluchten van de weke topsporters over de rand van het bassin waarin ze doorgaans ondermaats presteerden. Excuses die hen door de leiding nog eens werden aangereikt, want ook op niet-presteren stond lang een interessante premie. Wie een limiet miste voor een groot toernooi kon altijd nog wel rekenen op een plaatsje in de estafetteploeg en als die al vol was werd je gewoon reserve.

De zwembond was een reisgezelschap, dat eenmaal op de plaats van bestemming wel zou zien of er nog goede resutaten konden worden geleverd. Dat softe tijdperk lijkt ten einde als de nieuwe bewindvoerders van het topzwemmen tenminste waarmaken wat ze zeggen. “Als de criteria duidelijk zijn hoeft er niet meer gemarchandeerd te worden”, zei de nieuwe bondscoach René Dekker bij zijn debuut afgelopen weekeinde in Gelsenkirchen. Voorbij is de tijd van de kronkelige, onbekende zijpaden die toch nog naar een hoofdtoernooi leidden.

De Friese zwemster Karin Brienesse heeft er als eerste kennis mee gemaakt. Zij bleef bij selectiewedstrijden beneden de verwachting van de keuzeheren en moest het wereldbekercircuit, door zijn geldprijzen om meer dan één reden interessant, missen. Een voorproefje van de nieuwe lijn? Dekker beschouwt het vooral als "helderheid'. Maar de selectieprocedure die daarbij is gehanteerd wijkt af van wat de nieuwe ploeg voor ogen staat. “Er komen”, zegt hij, “meer selectie momenten.” Zwemmers mogen die ook zelf aangeven, waardoor ze zelf mede verantwoordelijk worden voor een eventuele mislukking. Dat idee is niet nieuw en leidde in het verleden nog al eens tot eindeloze discussies over de vraag of iemand die zich had geplaatst ook vormbehoud toonde. “Geen enkele selectieprocedure is waterdicht”, weet hij.

Na het terugtreden van bondscoach Ton van Klooster, die al voor de tegenvallende Olympische Spelen van Barcelona geen perspectief meer zag en het bestuur van de bond liet weten niet meer beschikbaar te zijn, heeft het lang geduurd voordat de opvolging werd geregeld. De commissaris zwemmen van de KNZB, Ad Roskam - die een voorstander van de "harde lijn' wordt genoemd - stelde Hans Elzerman aan als coördinator en benoemde Dekker (senioren) en Titus Mennen (jeugd) tot bondscoach.

Dekker, in het dagelijks leven leraar lichamelijke opvoeding bij het basisonderwijs, krijgt van de bond twaalf uur per week betaald voor een opdracht die het veelvoudige zal vergen en zal tot en met de Olympische Spelen van 1996 in Atlanta verantwoordelijk zijn voor de verrichtingen van de nationale ploeg. Een betrekkelijk oude garde beheerst nog altijd het zwemmen in Nederland, de jeugd breekt niet door. “Het is eigenlijk een schandaal dat mijn broer Ron nog steeds de beste is”, was zijn opmerkelijkste uitspraak afgelopen weekeinde. Hij was de persoonlijke trainer van zijn broer, schoolslagspecialist, die het na tien jaar aan de top duidelijk rustiger aan wil doen. Maar hij kan het zich permitteren vakantie te houden op momenten dat ambitieuze zwemmers fanatiek doortrainen en desondanks de beste Nederlander blijven. In Gelsenkirchen was hij met "driemaal brons' nog de succesvolste Nederlandse deelnemer.

Dat is een beetje symptomatisch voor de zwemsport. Op Europese jeugdkampioenschappen haalt Nederland nog medailles, eenmaal bij de senioren blijft de doorbraak uit. Dekker denkt aan een betere begeleiding vanuit de bond op regionaal niveau waaraan het naar zijn mening heeft ontbroken onder Van Klooster. Maar hij weet ook dat het lastig is de clubtrainers bij te sturen zonder op hun uitzonderlijk lange tenen te gaan staan. Toch vindt hij dat een verbeterde individuele begeleiding de sleutel voor succes moet vormen.

Al betekent succes voor een Nederlandse zwembondscoach niet meteen het hoogste. Ook Dekker heeft het over het bereiken van "finaleplaatsen' bij grote internationale wedstrijden als doelstelling. Veel hoger wil hij de lat niet leggen, omdat het in zijn ogen niet realistisch is. De trainingsmogelijkheden in Nederland zijn daar gewoonweg te gering voor. Zijn voorganger probeerde dat te compenseren door lange trainingskampen te houden. Beschouwde die als de ideale voorbereiding. Dekker zag dat het mis was, dat er door de lange periode van samenzijn irritaties ontstonden die remmend werkten op de verrichtingen. Hij is voorstander van gezamenlijke trainingskampen die net lang genoeg zijn om aan een ploeggeest te werken, maar te kort om tot verdeeldheid en ruzie te kunnen leiden. De sfeer moet goed zijn, want in een sterk collectief stijgen de individuele verrichtingen. Het eerste ijkpunt voor de bondscoach zijn de Europese kampioenschappen eind juli in Sheffield.