Faas Wilkes werd in 1949 bij Inter Milaan razend populair

ROTTERDAM, 17 FEBR. Hij wenst Bergkamp en Jonk heel veel succes in Milaan. Faas Wilkes, de vermaarde binnenspeler, ging de twee Ajacieden 44 jaar geleden voor bij Internazionale. Hij speelde er drie seizoenen, van 1949 tot 1952. Wilkes noemt de dubbele aankoop van zijn oude club “grandioos”. “Ik zou liegen als ik zei dat het me niets deed.”

De overstap van Wilkes naar Inter wordt beschouwd als de eerste grote Nederlandse transfer naar het buitenland. “Maar dat was toch geen grote transfer?”, reageert hij zelf. Hij vergelijkt de bedragen die er toen en nu mee zijn gemoeid. Wilkes kreeg, exclusief maandsalaris en premies, een handgeld van zestigduizend gulden per jaar van Inter, destijds een royale som, maar in het huidige topvoetbal slechts een fooi. De 35 miljoen van Bergkamp en Jonk doen Wilkes met de oren klapperen. “Ik kan het wel overdreven vinden, maar de mensen willen het betalen. Dat is bij sporten als basketbal, tennis en wielrennen ook zo. En zeg dan maar eens nee. Kijk, als je alleen die bedragen ziet staan is het natuurlijk te gek om los te lopen.”

Het grote voetbalnieuws van maandag kwam ook voor Faas Wilkes als een complete verrassing. De Rotterdammer had er rekening mee gehouden dat Bergkamp naar Juventus zou gaan. “Even heb ik nog aan Barcelona gedacht.” Zijn jongste zoon vertelde hem dat de keuze op Inter was gevallen. “Ik wist niet wat ik hoorde.” Hij kan het achteraf wel begrijpen. “Inter is één van de clubs die wat betreft spelers altijd het neusje van de zalm willen hebben. Er zit dan ook wel eens een miskoop tussen, zoals bij Real Madrid met die Hagi en die andere clown (Prosinecki, red).”

Wilkes oordeelt dat Inter twee uitstekende aankopen heeft gedaan. Hij vindt Jonk een middenvelder met “goed overzicht en een goede knal”. Over Bergkamp raakt de toch nuchtere Wilkes nauwelijks uitgepraat. “Die heeft het helemaal, hè. Een hele grote. Dat zie je meteen, aan zijn houding, aan de manier waarop hij de bal raakt. Dat had Cruijff ook. En Van Basten heeft het ook.”

Faas Wilkes behoorde zelf ook tot de allergrootsten. Hij wordt gezien als één van de beste en sierlijkste Nederlandse voetballers aller tijden. De vraag is op welke topspeler van nu hij het meest zou lijken. Wilkes resoluut: “Dat is Bergkamp. Natuurlijk!” Hij beschouwde zichzelf niet als “een echte goaltjesdief”, , ondanks het recordaantal van 35 doelpunten voor het Nederlands elftal - in slechts 38 interlands. Hij vond zichzelf meer een aangever, een spelverdeler. Hij stond vooral bekend om zijn lange rushes, was een ras-pingelaar. “Ik was ook niet de ideale binnenspeler.”

Hij was de eerste Nederlander die in het buitenland ging voetballen, zegt Wilkes. Hij vergeet echter Bep Bakhuys. “Oké”, reageert hij, “die had een sigarenwinkel, geloof ik, en ging net over de Belgisch-Franse grens bij Metz spelen. Maar inderdaad kan je Bakhuys als de eerste beschouwen. Het is niet belangrijk of je voor een tientje of honderd gulden speelde.”

Faas Wilkes, opgegroeid in Nederlandse voetbalwereld zonder profs, besloot voor zichzelf al snel dat hij voor geld wilde spelen. De Xerxes-speler verhuisde in 1946 naar Maastricht om voor een paar vrachtwagens - zijn familie had een transportonderneming - als beloning voor MVV uit te komen. De KNVB gaf echter geen toestemming en Wilkes keerde onverrichter zaken terug naar Rotterdam. Vertrek naar het buitenland was de enige oplossing. “Ik voelde niets voor Engeland of Frankrijk. Ik wilde naar Italië. Ik weet niet waarom. Ik kende het land niet. Maar we zijn er stapelgek op geworden. Het was dus een soort intuïtie.”

AC Milan toonde als eerste interesse uit Italië. “Namens die club kwam een man uit Bussum naar me toe, een halve Italiaan. Het was de bedoeling dat ik met de Zweden Nordahl en Gren een trio zou gaan vormen. Dat vond ik een goed plan.” Stadgenoot Inter reageerde echter snel en stuurde twee kopstukken naar Nederland. Ze namen een restauranthouder als tolk mee. Dezelfde man begeleidde het echtpaar Wilkes ook tijdens hun eerste half jaar in Milaan. Wilkes was in een Amsterdams hotel snel rond met Inter. Hij voerde de onderhandelingen helemaal alleen. “Ik was daar niet zo moeilijk in.” Hij was toen 25 jaar.

Zijn speelstijl en uiterlijk - lang en donker - spraken de mensen aan in Italië en Wilkes groeide bij Inter uit tot een razend populaire speler. “Ik was erg in”, zegt hij. Hij beleefde ware veldslagen in Italië. Het spel was er beduidend harder dan in Nederland en soms kreeg Wilkes straffe mandekking. “Maar ik was zelfverzekerd. Dan ben je voor niemand bang.” Hij maakte ook mindere periodes mee, maar Wilkes herinnert zich alleen de goede tijden. Inter heeft een vaste plek in zijn hart. Hij bleef na zijn vertrek vaak in Milaan komen om inkopen te doen voor zijn kledingzaak. Drie jaar geleden kreeg hij nog een erepenning van Inter uitgereikt en Wilkes heeft gezien dat zijn foto nog steeds aan een van de muren van het verenigingskantoor hangt. “Die dingen zie ik als een blijk van waardering. Ik ben er al 41 jaar weg.”

Hij en zijn vrouw spreken nog steeds vloeiend Italiaans. Ze hebben de gewoonte om twee keer per dag warm te eten niet afgeleerd. Wilkes maakte bij Inter ook mee dat er tijdens de maaltijd voor de wedstrijden altijd wijn werd gedronken door de spelers. Later bij het Nederlands elftal zette hij die traditie voort, stiekem. Hij bestelde bessensap, maar de goed geïnstrueerde ober schonk hem dan altijd wijn in.

Drie jaar speelde Wilkes bij Inter. In zijn laatste seizoen in Milaan sukkelde hij met zijn rechterknie. Bij Inter geloofde ze niet dat de Nederlander een meniscus had. Ze dachten dat hij komedie speelde om weg te komen. Hij werd verkocht aan Torino en daar bleek dat Wilkes wel degelijk aan zijn knie moest worden geopereerd. Veel had Torino daarom niet aan hem. “Dat jaar heb ik wel het meeste verdiend in mijn carrière. Ik had al een deel van het geld van Inter ontvangen en ook Torino betaalde me.”

Torino deed hem na dat ene teleurstellende jaar al weer van de hand. Wilkes vertrok naar het Spaanse Valencia. Tegen die ploeg had hij indruk gemaakt in een vriendschappelijk duel. In Valencia beleefde hij twee goede jaren. “Dat was misschien wel mijn mooiste periode. Ze kenden me daar niet zo goed. Spanje liep in die tijd een beetje achter. Ik was dus een grote verrassing voor die mensen. Ze waren gek op me. Soms zwaaide het hele stadion voor mij met witte zakdoeken. Normaal doen ze dat in Spanje alleen bij het stierenvechten.” Hij was er een vedette, samen met twee andere vermaarde buitenlanders, Di Stefano van Real en Kubala van Barcelona. “Weet je dat Inter me toen nog wilde terugkopen? Ze stonden in Valencia op de stoep. Maar ik had net getekend.” Mede door gezondsheidsproblemen keerde Wilkes in 1956 terug naar Nederland. Hij ging bij VVV spelen. Later kwam hij nog een seizoen voor het Spaanse Levante uit.

Wilkes ging secuur om met zijn in het buitenland en in Limburg bij Fortuna en VVV verdiende geld. Hij zette het op een Zwitserse bank en liet het beleggen. “We waren niet gierig, wel zuinig.” In '62 terug in Rotterdam schafte Wilkes van zijn gespaarde centen een kledingszaak aan. Hij en zijn vrouw runnen nu nog steeds een exclusieve modezaak tegenover de ingang van het Hilton-hotel in het Rotterdamse centrum. De kinderen hebben winkels op de Lijnbaan.

De nog steeds ranke Wilkes, over acht maanden 70 jaar, ziet er gezond uit. Hij schrijft dat mede toe aan het voetballen. De oude meester komt zelfs nauwelijks meer in het stadion. Hij heeft er geen zin in. “Ik was laatst in De Kuip op de receptie van ex-collega Jan Linssen. Toen heb ik de tweede helft van Feyenoord-FC Twente gezien. Ik zat daar in mijn eentje op de tribune en vroeg mezelf af: wat kom ik hier doen?” Wilkes bezoekt alleen nog de wedstrijden van de Rotterdamse amateurclub Xerxes waar zijn zoon Michael speelt. “Hij doet het niet slecht. Hij moet alleen meer naar zijn vader luisteren”, lacht de ex-speler.

Wilkes vindt het voetbal er qua kijkspel zeker niet op vooruitgegaan. “Ze moeten een boete geven voor verdedigend voetbal.” Hij looft het aanvallende spel van een club als Barcelona en ook Ajax kan hem wel bekoren. Wilkes zegt ook via de televisie het voetbal niet echt fanatiek te volgen. “Ik ben de kok thuis en voor Studio Sport ga ik dan niet speciaal zitten.” Toch blijkt hij goed geïnformeerd. “Inter heeft een goede verdediging. Als er straks met Bergkamp en Jonk ook aanvallend goed kan worden gespeeld kunnen we wel wat verwachten. Momenteel kan niemand in Italië aan Milan tippen, ook Inter niet.”

Faas Wilkes vindt het achteraf jammer dat hij niet meer voor het Nederlands elftal heeft gespeeld. Hij miste bijna zes oranjejaren omdat de KNVB het lange tijd niet toestond om profs in de nationale ploeg op te nemen. Meedoen aan een wereldkampioenschap was ook niet weggelegd voor Wilkes. “We hebben één goede kans gehad, maar we in 1957 verloren we uit van Oostenrijk en speelden thuis gelijk.” Trainer wilde Wilkes na zijn actieve loopbaan niet worden. Hij hield, zegt hij, van zijn vrijheid. Eén keer was hij actief als trainer, bij Levante. Hij maakte daar het seizoen als trainer-speler af. “We speelden toen voor de beker 1-1 bij Zaragoza. Iedereen was door het dolle heen. Ze dachten dat ze de ideale coach hadden gevonden. Een week later verloren we thuis en werden toch nog uitgeschakeld.” Wilkes schatert het uit. Het zijn mooie herinneringen.