Even ver

Een doodse ochtend in februari, vierenhalf miljard jaar na het ontstaan van de aarde, drieënhalf miljard jaar na het begin van het leven en uitgerekend vandaag heb je niks te doen.

Zinloos sta je bij het raam. De tijd verstrijkt meer en meer. Uiteindelijk valt je oog op de beweging van een goudhaantje. Volgens de boekjes is het een vogel van naaldhout en dat schijnt hij zelf ook te beseffen. Hij rept zich naar de spar die lang geleden onze laatste kerstboom is geweest.

Onder vogels is dit zo ongeveer het kleinste waarmee de natuur haar geluk heeft beproefd. Vijfenhalve gram lichaamsgewicht en er ontbreekt niets aan, het weet precies waarom het draait.

Noem het een ontmoeting: dat vogeltje en jij, op dezelfde tijd en plaats. Welke omwegen het leven ook genomen mag hebben, op het ogenblik concentreert het zich op een achtertuin in het Staatsliedenkwartier. En wat de tijd betreft: beide even ver verwijderd van het begin, even ver verwijderd van wat wel ooit de laatste dag zal zijn.

Tien, vijftien minuten lang houdt het goudhaantje zich met de boom bezig. Tak na tak wordt met de grootste zorgvuldigheid afgewerkt. Hij hipt, kijkt, pikt en hipt weer verder. Tot hij klaar is. Dan alleen nog het verdwijnen. Met een roetsj over de schutting.

Alles draait om aandacht.