Abrupt eind aan zegetocht van Ericsson; Zweeds telecommunicatie-concern past zich aan op concurrerende markt

RIJEN, 17 FEBR. De telecommunicatiemarkt is de laatste jaren sterk in beroering. Deregulering, privatisering en de voordurende ontwikkeling van nieuwe technieken en produkten zorgen voor enorme verschuivingen tussen marktpartijen en in concurrentieverhoudingen. De monopolies van staatsbedrijven brokkelen af, ten gunste van particuliere aanbieders.

Eén van de bedrijven die de afgelopen jaren volop hebben geprofiteerd van de ontwikkelingen op de telecommunicatiemarkt is de Zweedse onderneming Ericsson. Gedwongen door het ontbreken van een grote thuismarkt is Ericsson al vanaf het begin van zijn bestaan in 1876 op zoek geweest naar afnemers in andere landen. Na het inzetten van de dereguleringstrend in de meeste Westerse landen, halverwege de jaren tachtig, nam de export van deze Stockholmse onderneming een grote vlucht. De winst klom van 272 miljoen gulden in 1985 tot 1,45 miljard gulden in 1990. Het aantal landen waar Ericsson actief is op het gebied van openbare en particuliere telefooncentrales en systemen voor draagbare telefoons steeg in die periode van van 65 tot 100.

Twee jaar geleden kwam echter een abrupt einde aan de financiële zegetocht van Ericsson. De winst kelderde in 1991 met 67 procent tot bijna 500 miljoen gulden, een trend die zich het jaar daarop doorzette. De onderneming sloot 1992 af op een winstniveau van 325 miljoen gulden. Redenen daarvoor waren volgens Ericsson de recessie in de Verenigde Staten en een economische teruggang in veel Europese landen, waardoor afnemers zeer afwachtend waren met investeringen.

Sombere ontwikkelingen, maar voor Jan Stenberg, vice-president van Ericsson, geen reden om de toekomst van zijn onderneming even somber in te zien. “Onder de omstandigheden ben ik tevreden over de resultaten”, glimlacht Stenberg, die vorige week een kort bezoek bracht aan de Nederlandse dochteronderneming in Rijen. Belangrijk is volgens hem vooral dat Ericsson in het laatste kwartaal van 1992 zeer goede resultaten heeft behaald, waardoor de winst - die in de eerste drie kwartalen was geslonken tot 38,7 miljoen gulden - uiteindelijk nog op een redelijk niveau is uitgekomen. Hoewel de omzet vorig jaar slechts met drie procent steeg tot 11,75 miljard gulden, wijst de goedgevulde orderportefeuille er volgens Stenberg op dat de onderneming in 1993 weer aanmerkelijk betere resultaten zal behalen.

De telecommunicatiemarkt zal volgens Stenberg de komende jaren worden beheerst door “een handvol spelers”, grotendeels het produkt van fusies en joint ventures in de jaren tachtig. Ericsson, dat zich als één van de weinige bedrijven in de top-5 wist te handhaven zonder partners, zal ook in de toekomst zelfstandig blijven, stelt Stenberg. “Wij zijn flexibel en gewend aan harde concurrentie”, zegt hij overtuigd.

Dat ook veel voormalige staatsbedrijven zich na de privatisering op commerciële wijze met de verkoop van telecommunicatiesystemen- en produkten in binnen- en buitenland zijn gaan bezighouden, baart Stenberg naar eigen zeggen vooralsnog weing zorgen. Wel merkt de onderneming dat onder druk van de economische neergang de protectionistische neigingen in veel landen toenemen. Stenberg noemt dat een zorgelijk verschijnsel; Ericsson probeert moeilijkheden te vermijden door in alle landen vestigingen op te zetten naar nationale wetgeving.

De privatisering van staatsbedrijven, zoals de Nederlandse PTT op dit moment doormaakt, heeft voor Ericsson op een ander terrein wel nadelige gevolgen, bevestigt Stenberg. “Vroeger beschikten deze organisaties over enorme fondsen waarmee ze weinig markgericht omgingen. Na de verzelfstandiging moesten ook deze bedrijven beter letten op de winstmarges en konden zij niet meer voor dezelfde bedragen blijven investeren”, aldus Stenberg. Lage prijzen zijn sindsdien steeds belangrijker geworden in de concurrentiestrijd, maar dat is iets waar Ericsson niet over mag klagen, geeft Stenberg toe. “Wij hebben immers zelf die prijzen naar beneden gedrukt”.