Wat blijft er van België over?

Zondag was de minister-president van Vlaanderen, Luc Van den Brande, gast op Het Capitool, maar zijn interviewer leek meer geïnteresseerd in het beleid van de Vlaamse regering in de zaak-DAF dan in de vraag of België nog lang zou blijven bestaan.

Het is waar: de eerste kwestie is actueler - een kwestie van uren, zei onze minister Andriessen later in hetzelfde programma -, maar de toekomst van onze zuiderbuur gaat ons ook aan, en de staatkundige desintegratie van België gaat razendsnel.

Als het jongste akkoord over de grondwetswijziging - het zogenaamde Sint-Michielsakkoord - zal zijn goedgekeurd, blijft er van België niet veel meer over. Alleen op het gebied van buitenlands beleid, defensie en de munt blijft het bestaan.

Voor de rest krijgen Vlaanderen en Wallonië autonomie, ja zelfs verdragsrecht. Dat wil zeggen dat de deelstaten verdragen met andere staten zullen mogen sluiten, bijvoorbeeld de economie en het milieu betreffende. En daar zal het niet bij blijven, zei Van den Brande zondag.

Hoe dat staatsrechtelijk zit, is een interessante vraag. Verdragen worden namens de soeverein gesloten en door hem getekend. Kan de Koning der Belgen (aller Belgen) de ene dag een verdrag voor Vlaanderen tekenen en de volgende een verdrag voor Wallonië dat daarmee in strijd is?

En de Belgische ambassadeurs? Moeten die de belangen van Vlaanderen èn die van Wallonië behartigen, ook wanneer die uiteenlopend zijn? Van de Belgische vindingrijkheid op staatsrechtelijk gebied zal veel worden gevergd. Gelukkig is zij groot.

Maar of zij zo groot is dat zij zal kunnen vermijden dat de autonomisering van de deelstaten een eigen dynamiek gaat ontwikkelen? En als dat laatste niet zou gebeuren, dan is er nog altijd het buitenland, dat graag zekerheid wil hebben, dat wil zeggen: wil weten wie de verantwoordelijke gesprekspartner is in België.

Dat de buitenlandse politiek al in de opzet van het Sint-Michielsakkoord niet buiten schot blijft, blijkt uit wat Manu Ruys, Vlaanderens belangrijkste politieke commentator, schreef in De Standaard van 22 januari: “Dat Vlaanderen en Wallonië over belangrijke problemen van internationale aard van mening verschillen - zie de vredesproblematiek en de wapenhandel - heeft al geleid tot wrijvingen op gouvernementeel vlak. De Vlaamse regering en het Vlaamse parlement wensen daarom inspraak in de buitenlandse politiek.” De Waalse regering en het Waalse parlement ook, naar we mogen aannemen.

Dat ligt in de lijn der logica, maar het besluitvormingsproces in België, en in de Europese Gemeenschap, zal er niet door bespoedigd worden. Het minst nationalistische land van Europa zou nog wel eens, paradoxaal genoeg, een extra struikelblok op de weg naar de Europese eenheid kunnen blijken te worden.

Vlaanderen en Wallonië zien beide in een Europese federatie hun heil, maar intussen zoeken beide steun in bilaterale relaties. Minister-president Spitaels van Wallonië was onlangs op bezoek in Frankrijk, waar hij ontvangen werd door, onder anderen, president Mitterrand en de oud-premiers Rocard en Barre.

Minister-president Van den Brande heeft eind maart een afspraak met zijn Nederlandse collega, vertelde hij op Het Capitool, maar de Nederlandse huiver kennende zich met de interne aangelegenheden van België te bemoeien, zouden wij ons moeten verbazen als dit gesprek de perken van de huidige bevoegdheden van de Vlaamse regering zou overschrijden.

Het is waar dat de hoofdredacteur van de Internationale Spectator, J.J.C. Voorhoeve, in het januarinummer van dit tijdschrift mogelijkheden ziet voor een “nauwe samenwerking” tussen Nederland en een “autonoom buitenlands beleid” voerend Vlaanderen. Manu Ruys noemt dit een, “gelet op de mentaliteit in 's-Gravenhage, merkwaardig oordeel.”

Dat is het inderdaad, en daarom doen de Vlamingen er goed aan zich er niet al te veel illusies over te maken. Den Haag heeft zich nooit erg in België geïnteresseerd en nog minder in de Vlaamse zaak. Het zocht zijn gesprekspartners liever onder de grote mogendheden. Maar misschien zal dit onder minister Kooijmans anders worden.

Omgekeerd is niet te verwachten dat Vlaanderen Nederland als grote broer zal gaan beschouwen. Zó populair is Nederland daar nu ook weer niet. Als Vlaanderen, zoals iedere nieuwe staat, erop uit zal zijn zijn identiteit internationaal te profileren, is een zich afzetten tegen Nederland wellicht zelfs waarschijnlijker.

Zeker is dat een zelfstandiger Vlaanderen over betere troeven zal beschikken dan een zelfstandiger Wallonië, dat de laatste decennia erg achterop is geraakt. Het vooruitzicht één van Frankrijks arme regio's te worden, is - stel dat Frankrijk daar belangstelling voor zou hebben - niet erg aantrekkelijk, minder aantrekkelijk in elk geval dan Walloniës huidige positie in België, waar het nog een macht uitoefent die niet in verhouding staat tot zijn werkelijke betekenis.

Hoe dan ook - het is zaak dat Nederland de ontwikkelingen bezuiden zijn grenzen nauwlettender volgt dan het gewoon is te doen.