Tot Adam

Onder het eten. We hebben het over een jongen uit de kennissenkring. Daan zegt dat hij goed kan tekenen en dat viel te verwachten, die jongen z'n vader tekent ook.

Dan gaat het over erfelijkheid - eigenschappen en mogelijkheden die van generatie op generatie worden overgedragen, het web dat werd geweven toen de mens nog dier was en onderworpen aan natuurlijke selectie. Survival, dát was de toets voor alle dingen. Het mechanisme dat een olifant van zijn slurf voorzag en een havik van zijn klauw was werkzaam in de kleur van onze ogen, de klank van de stem, de neiging tot driftbuien, een voorkeur voor aardappelen en de aanleg voor tekenen.

Daan: “Jammer dat jij niks kunt, Koos. Anders hadden wij ook wat gekund.”

Dit vinden we leuk en dat zit in de familie. Mijn grootvader had ook zoiets kunnen zeggen, of er in elk geval om gelachen.

Ik kijk Daan aan en constateer: “Een echte Van Zomeren.” Maar dat klopt niet helemaal. Mijn zoons zijn voor de helft Ekkers. Ikzelf een halve Hutgens, mijn vader een halve Vroegh, mijn grootvader een halve Van Meteren en zelfs diens vader kan maar een halve Van Zomeren zijn geweest.

Adam! De eerste! Onze enige echte onversneden voorvader. En die moet in zijn DNA al een structuurtje voor humor hebben gehad. Hoewel hij er zelf natuurlijk niks mee kon beginnen, in het paradijs.