Sportwereld schiet niets op met Lubbers' vrijblijvende mea culpa

Het getuigt tegenwoordig van lompheid om in gezelschap met stelligheid te verklaren nooit van Bergkamp te hebben gehoord. De pose dat je niets, maar dan ook helemaal niets van sport af weet is al geruime tijd in onbruik. Je hoort er pas bij als je kunt meepraten over de traptechniek van Jonk, de harde service van Krajicek en de eindsprint van Van Langen. Sport stijgt langzaam op de maatschappelijke ladder, maar er was een rapport voor nodig om aan te tonen dat sport een bindmiddel van de samenleving is.

Een paar maanden geleden ondernam het onderzoeksbureau A.T. Kearney (Management Consultants) een poging om aan de hand van een inventarisatie de maatschappelijke betekenis van sport aan te tonen en het concludeerde dat er niet altijd sprake is van een samenhangend beleid. Dat moest maar eens veranderen, vonden de belangrijkste sportorganisaties als het Nederlands Olympisch Comité en de Nederlandse Sport Federatie die een "breed samengestelde' initiatiefgroep formeerden in de hoop het sportklimaat te verbeteren. Met enige trots werd aangekondigd dat premier Lubbers, af en toe actief als hockeyer en daardoor vertrouwd met het fenomeen sport, het rapport in ontvangst zou nemen.

Zelden werd de georganiseerde sportwereld zo gebruuskeerd als bij die gelegenheid. Het gaat goed met de sport in Nederland ondanks, nee misschien wel dank zij de terughoudende opstelling van de rijksoverheid, grijnsde Lubbers. In plaats van het startsein te lossen voor een brede maatschappelijke ondersteuning van de sport, haakte hij in het openbaar af. Hulde voor het boeiende initiatief, maar reken niet te veel op ons. En hij haastte zich weg.

De angst dat het wel weer uit zou draaien op een bedelpreek van de sport zit er diep in. Maar juist ditmaal was het de bedoeling geweest een aanzet te geven tot een andere manier van denken. Door de houding van de minister president liep die opzet al meteen behoorlijke schade op. Zaterdag verscheen in deze krant een vrijblijvend mea culpa, met Lubbers' mededeling dat “het onderwerp (sport) een permanent onderdeel wordt van de agenda, ook van de mijne.” Een onthullende mededeling. Alsof de wekelijkse activiteit van de halve bevolking, waarin jaarlijks 8.4 miljard omgaat en die daarmee een economische factor van belang is, tot nog toe niet veel meer was dan een onderwerp in de marge. Iets waar je niet te lang bij moest stilstaan.

Natuurlijk was de blijde boodschap verpakt in de mededeling dat er in Den Haag geen geld te halen is voor de sport. Wel de altijd min of meer triomfantelijke toevoeging dat op de WVC-begroting, “met name sinds de start van dit kabinet ondanks Tussenbalans etc.” de bedragen constant zijn gebleven. Dat klopt ook. Voor sport staat al jaren een bedrag op de begroting van zo'n veertig tot vijfenveertig miljoen. De maatschappelijke onrust die een forse bezuiniging zou oproepen, staat niet in verhouding tot het financiële voordeel dat het oplevert. Dat en waarschijnlijk niets anders zorgt er voor dat de sportbegroting ongemoeid wordt gelaten. De sportwereld heeft zich ermee verzoend. Niemand in die kringen verwacht serieus dat dat bedrag zal worden verdubbeld, zoals in een dolle bui wel eens is gevraagd. Ook al zijn daarvoor wel argumenten aan te dragen, want tegenover zo'n overheidsinvestering staat een flinke, zij het moeilijk te becijferen winst. Elke zakenman zal kunnen getuigen dat je bij het begin van een gesprek beter de eindstand van een Europa-Cupwedstrijd kunt weten dan de rentestand.

De namen Cruijff, Gullit, Van Basten en binnenkort ook Bergkamp zijn een soort Esperanto in het internationale zakenverkeer geworden. Voor die constructieve bijdrage aan de BV Nederland brengt niemand de overheid ook maar iets in rekening. Misschien wel omdat het net zo goed valt te beschouwen als een tegenprestatie voor de enorme bijdrage die het bedrijfsleven in de vorm van sponsoring al jaren levert.

Daarnaast wordt het geld voor die sport opgebracht door de beoefenaren zelf en door lagere overheden, gesteund door 700.000 vrijwilligers. Daarbij vergeleken is de bijdrage van het rijk niet iets om goede sier mee te maken. Maar wie het waagt daarover iets te zeggen kan verzekerd zijn van een onzuivere vergelijking, zoals Lubbers zaterdag fijntjes opmerkte dat “elke gulden voor een nieuw doel” ten koste gaat van iets anders zoals de opvang van emigranten, bejaardenoorden, enzovoorts.

Maar het minste dat de sport zou mogen verwachten is de hulp van de overheid bij het vinden van andere bronnen in plaats van een voorwaardenremmend beleid op dat terrein. Want de pas onlangs versoepelde reclameregels voor de omroep hebben de georganiseerde sport honderden miljoenen gekost en actueel is de zich voortslepende besluiteloosheid over de zogenoemde instantloterij, een kansspel met kraslootjes dat de ingezakte lotto-toto-inkomsten voor de sportwereld moet compenseren. De minister van financiën heeft tot het laatste toe tegen een Kamermeerderheid gevochten om de inkomsten daarvan volledig in de schatkist te laten vloeien. Nu is dat nog "slechts' vijf procent van de netto-opbrengst (20 procent van de bruto-opbrengst), als de Eerste Kamer ermee instemt. Maar de sportwereld ziet ongerust de beraadslagingen tegemoet nu er ook politiek weer een actie op gang is gebracht die waarschuwt voor gokverslaving die de invoering van de loterij nog meer kan vertragen. Het gevecht tussen Financiën en WVC heeft de sport al ongeveer vijf miljoen guldengekost. Ondanks die overheid gaat het redelijk goed met de sport. Wat een perspectieven als het iets meer "dank zij' zou zijn.