Muzikale cirkels sluiten zich

Concert: Asko Ensemble o.l.v. Guido Guida met Angela Tunstall (sopraan). Werken van Berio, De Vries, Dallapiccola en Francesconi. Gehoord: 15/2 De Doelen Rotterdam, herhaling 16/2 Paradiso Amsterdam, 17/2 Theater Romein Leeuwarden, 18/2 De Oosterpoort Groningen en 21/2 Muziekcentrum Vredenburg Utrecht.

De muziek van Olivier Messiaen kent geen overgangen. Versnellingen of vertragingen komen niet voor, maar dit stoort nauwelijks omdat zijn ritme zo plooibaar is: kleine celletjes die zowel uitdijen als inkrimpen. In de jaren zestig werd het een trend om de plooibare elementen in de muziek aan de fantasie van de uitvoerenden over te laten. Zo introduceerde Luciano Berio in Circles uit 1960 voor zangstem, harp en twee slagwerkers naar teksten van e.e. cummings een notatie om vrije inzetten aan te geven door de desbetreffende muziek in een apart kader te plaatsen. Nog steeds boeit Circles door die vrije plastiek, een hyperverfijnde compositie in een originele belichting van e.e. cummings (zo neurotisch als een deur, gek en geniaal), niets is te verstaan, Berio strooit kiemen uit die groeien in de fantasie van de luisteraar.

Goethe stelde eens: “Natuur en kunstwerken leert men niet kennen in voltooide staat, men moet ze in het ontstaan volgen om ze ten minste enige mate te kunnen begrijpen.” Berio's muziek ontstaat als het ware voor onze oren en ogen (er zijn theaterelementen ingebouwd). Gisteravond in De Doelen bleven de musici te afstandelijk, ook door de ongelukkige opstelling ver achter het podium, maar het lyrische element zoals in het ingehouden slot, wanneer de cirkel wordt gesloten als de instrumentalisten zingen, was ontroerend.

De Engelse sopraan Angela Tunstall - die in 1991 in de Vara-matinee furore maakte in Stockhausen's Momenten - nam op indringende wijze revanche in Luigi Dallapiccola's laatste werk: Commiato uit 1972, waarin weer een cirkel zich sluit, ditmaal binnen het oeuvre van de componist, want de Weberniaanse verstilling (de tedere klacht in het centrale gedeelte) verwees naar Dallapiccola's uitgangspunt, naar een veel minder interessante neoklassieke aanloopperiode. Muziek als een uitgestoken hand, buitengewoon communicatief.

Heel intens klonk ook Bewegingen voor drie kwintetten uit 1979 van Klaas de Vries, door zijn opzet (omkering van het beginproces) eveneens in Goetheaanse zin invoelbaar. Richiami (1989-1992) van Luca Francesconi begint weliswaar prachtig, maar ongeveer op de helft van het veel te lange stuk vervalt de componist in herhalingen. Uit een tweede versie voor symfonieorkest hield Fransesconi enkele modificaties over (synthesizeruitbreiding, basklarinet en een extra slagwerker), waarna hij voor een betere balans met de synthesizer besloot om het gehele ensemble elektronisch te versterken, zelden een gelukkige beslissing.