Karel Appel over zijn nieuwe bronzen beelden in Den Haag; Alle culturen wil ik samenvoegen

Van 18/2 t/m 25/7 in Museum Paleis Lange Voorhout, Lange Voorhout 74, Den Haag. Geopend: di. t/m zo. 11-17 uur.

DEN HAAG, 16 FEBR. Je treft hem tegenwoordig vaak in de buitenlucht aan. Hij stroopt als een sjacheraar de boerderijen van Toscane af, op zoek naar landbouwwerktuigen en boers meubilair. Ook in New York probeert hij zijn slag te slaan. Deuren, luiken, trappen, bedden, karren, tafels, krukken, maskers; van alles komt er in zijn bakfiets terecht. Hij verwerkt die vondsten in zijn nieuwe beelden. Twintig daarvan zijn er overgebracht naar Paleis Lange Voorhout in Den Haag, waar morgen, overeenkomstig de afspraak met de Haagse oud-directeur Rudi Fuchs, een tentoonstelling opent.

“Hier ben ik”, zegt Karel Appel gedecideerd bij binnenkomst, terwijl we in de hal wat verbouwereerd zijn eerste sculptuur bekijken: een blaasbalg van een meter lengte die met een lange paal verbonden is met zoiets als een voederbak en een tafelblad. Op het uiteinde van de paal is een gipsen kop bevestigd, lijkt het. Geen gips, maar brons, vertelt de schilder/beeldhouwer. De meeste onderdelen van zijn assemblages lijken akelig veel op gips en op doorleefd hout, maar zijn in Verona in brons gegoten.

“Ik ben met de vergankelijkheid bezig. Deze beelden kunnen nu zo'n vijfduizend jaar mee”, aldus de 72-jarige Appel, die op zijn witte sportschoenen een college geeft over de oorsprong en samenstelling van zijn sculpturen. Op iconologische vragen geeft hij geen antwoord. Dat moet “de psychiater maar uitzoeken.”

Zijn twintig soms kolossale, demontabele beelden zijn geleidelijk ontstaan, vertelt hij. Samen met assistenten werkte hij er maanden aan. Op zijn strooptochten kwam hij terecht in Newyorkse wijken waar zich tot zijn verbazing tientallen brocante's schuilhouden. Japanse, Indonesische, Zuidamerikaanse spullen, 'you name it'; in een vergaarbak als New York is alles voorhanden. De Europeaan doet trouwens van nature al eeuwen niets anders dan van vergaren wat de wereld te bieden heeft.

Dat ligt in Toscane, waar zijn tweede huis staat, volstrekt anders. Daar is de jacht gericht op oud hout, veel oud hout. Meestal is het zo mooi van zichzelf dat het geen verflik nodig heeft, zegt hij. Vreemd, in Italië is in tegenstelling tot New York geen enkel etnografisch stuk te vinden, maar wèl ovale, 12de-eeuwse wijntonnen, waar een mens languit in kan baden. Op zo'n ovale deksel, inmiddels ook in brons gegoten, ligt een drietal gestileerde bloemen met stelen van grove palen die dwars door gekartelde, bronzen "onderzetters' zijn gestoken. “Ik ben een nieuwe weg in de beeldhouwkunst ingeslagen”, zegt Appel, “alle culturen wil ik samenvoegen om tot een nieuwe kunst te komen. Alles is aan de orde geweest, zegt men. Dat is niet waar. Dit nieuwe werk is een doorgang naar het onbekende.”

Hij beschrijft zichzelf als een 'serviteur', een dienaar van de kunst. De ideeën vallen hem toe. De meeste mensen hebben geen tijd om niks te doen. Ze lopen met een doel op straat, dan kunnen ze zich dus niet openstellen voor wat er om hen heen te zien is. Terwijl juist die doelloze, meditatieve wandelingen de mooiste momenten opleveren. Stoppen met werken? Welnee! Jazz, film, lekker eten, hij kan er wel van genieten, maar het is niet genoeg in het leven. Hij begint nu, 45 jaar na het begin van Cobra, gewoon opnieuw. Zijn "body' is jong, hij werkt door, en als je dat op zijn leeftijd nalaat, dan houd je niet van je vak.

We staan stil bij, alweer, een rechtop geplaatst, meterhoog deksel. Tussen de planken zijn klodders gips, wit geëmailleerd brons dus, naar buiten geperst, zoals te veel jam op een veel te klein broodje: “Kijk, ik loop ergens en dan zie ik een dooie boom waar zwammen uit groeien. Ik sta daar open voor, en omdat ik zo flexibel ben, kan er zo'n beeld ontstaan”. En die bronzen kat daar, die op dat randje van dat schuine tafelblad balanceert? “Die kat heb ik in de dakgoot gezien en die gebruik ik dus. Je kan als kunstenaar niet aandachtig genoeg zijn”.

De meeste constellaties heeft hij zelf “gezaagd en in elkaar getimmerd”, zoals een muurbedekkend reliëf van eeuwenoude panelen. Op dwarsbalken is een winkel van sinkel gemonteerd: Wajangpoppen, Balinese maskers, tafelpoten, koppen van papier-maché, een weegschaal en een beschilderde haan, die als etalage-materiaal dienst deed in Siena. Links bungelt er ook nog een vliegtuigje aan een draadje. Waarom eigenlijk? Appel zal het niet toelichten. Hij werkt gewoon spontaan, zegt hij. Maar wat betekenen dan al die vervaarlijke, gigantische bronzen handen en klauwen, die uit die gammele kasten tevoorschijn komen? “Ja, nu u dat zegt, die handen lijken inderdaad belangrijk te zijn. Straks zal er wel een moment komen dat ik geen handen meer in mijn werk gebruik”. En die manshoge, gebalde vuist daar? “Je maintiendrai”, zegt Appel ferm.

"De Nachtwacht' van deze tentoonstelling, zoals een van de aanwezige Haagse conservatoren het noemt, is de bijna vijf meter brede assemblage "Singing Donkeys', tevens de titel van de tentoonstelling. Vier enorme, blauw en rood beschilderde ezelskoppen, carnavalsstukken uit Toscane, bulderen van het lachen. Uit hun koppen steken parasols en voor hun neus liggen weer een paar van die aluminium handen uitgestald. Die Gregoriaanse koormuziek, afkomstig uit een radiootje dat naast de "Donkeys' is geplaatst, duidt volstrekt niet op spot, zegt Appel: “Ik ben een geus, een noordelijke barbaar”. Hij luistert anders naar die mooie muziek dan iemand van katholieke huize uit het mediterrane gebied.

Terwijl we een laatste blik werpen op een immense, horizontaal geplaatste bronzen lucifer met hondekop en paardebenen, blijkt er op de derde etage van het Paleis nog een serie gouaches te hangen, waarvan Appel het merendeel aan het Haags Gemeentemuseum heeft geschonken. Het vroegste blad dateert uit 1948; een Matisse-achtig blauw naakt, strak en bekoorlijk geschilderd. De recente, grotere schilderingen zijn gecomponeerd uit streepjespatronen in donkere tinten, waarop een enkel sprankelend accent is neergezet.

Naar die gouaches kijkt Appel nu als een vreemdeling, zegt hij. Hij is in de greep van de beeldhouwkunst. Aan 'stijl' hecht hij weinig waarde. “Stijl is routine. Juist als je uit je stijl stapt, ontstaat er kunst”. Nee, hij heeft geen angst om zich aan het nieuwe te wagen. “Angst is een enorme remming. Je moet springen, of niet springen. Daartussen zit niets. Ik heb natuurlijk wel twijfel. Die twijfel zal ik houden tot de laatste lik.”