Kapiteins al strafbaar als olielozing met oog kan worden opgemerkt

DEN HAAG, 16 FEBR. Kapiteins van schepen kunnen binnenkort al worden gestraft als zij zichtbaar olie op zee hebben geloosd. Die zogeheten "zichtbaarheidsgrens' wordt op 6 juli van dit jaar wereldwijd van kracht en zal volgens het ministerie van verkeer en waterstaat een duidelijk preventieve werking hebben. Ook als lozingen 's nachts met infrarood-kijkers kunnen worden waargenomen, kan tot vervolging worden overgegaan.

De International Maritime Organisation (IMO), een VN-organisatie voor de scheepvaart, stelt deze regel in om olielozingen adequater te kunnen bestraffen. Volgens R.C. Schriel, hoofd operationele zaken waterbeheer van de directie Noordzee van Rijkswaterstaat, heeft de verscherping van de norm voor olielozingen betekent de maatregel een belangrijke verbetering.

Tot dusver is sprake van een overtreding als in het geloosde water 100 ppm (parts per million) olie wordt aangetroffen. Als de nieuwe maatregel van kracht is wordt die norm verscherpt tot 15 ppm. “Alles onder de 15 ppm is onzichtbaar”, aldus Schriel. “Bovendien hebben vogels onder deze grens geen last van de olie.”

Greenpeace betwijfelt of door de verscherping van de regels meer olielozers gepakt zullen worden. “Eerst zien, dan geloven”, zegt J. Arends van de milieu-organisatie. Volgens Arends moeten er, als Rijkswaterstaat meer olielozende schepen wil achterhalen, ook meer surveillance-schepen en -vliegtuigen de Noordzee in de gaten houden. Volgens Schriel echter heeft Rijkswaterstaat dit jaar al 400 vlieguren gemaakt, relatief meer dan vorig jaar. Arends vindt dat een stap in de goede richting, maar nog niet genoeg. “Eigenlijk zouden er permanent schepen van de overheid op zee moeten varen om te controleren.”

Greenpeace wil bovendien dat de havenontvangstinstallaties, waar schepen resten olie naar toe kunnen brengen tegen betaling, kosteloos worden en de boetes voor lozing verhoogd. “Tot nu toe is lozen op zee nog altijd goedkoper dan de olie wegbrengen”, zegt Arends.

Het Justitieel Opsporingsteam voor Milieudelicten Noordzee (JOMN) is voorstander van de nieuwe wetgeving. Het verwacht echter niet meer olielozers opsporen door de strengere norm. Het JOMN houdt zich alleen bezig met lozingen waarvan de dader onbekend is, vooral om de kosten van de reiniging van de zee op hen te verhalen. Het JOMN meldde onlangs dat het ook in 1992 niet in staat was geweest de daders van drie grote olielozingen voor de Nederlandse kust dat jaar te achterhalen. Vanaf de oprichting van het opsporingsteam in 1989 is het JOMN er nog nooit in geslaagd olielozers te achterhalen.