Hoogleraren stappen "uit weerzin' op; Oprichting school kunsthistorisch onderzoek bepleit

DEN HAAG, 16 FEBR. Het kunsthistorisch onderzoek in Nederland schiet tekort en moet op een hoger peil worden gebracht door de oprichting van een onderzoekschool. Daarin moeten universiteiten, musea en andere instellingen samenwerken.

Dat concludeert de Verkenningscommissie voor de Kunstgeschiedenis in een rapport dat vanmiddag in Den Haag aan minister Ritzen (Onderwijs en Wetenschappen) is aangeboden. De onderzoekschool moet een internationaal georiënteerd "centrum van hoogwaardig onderzoek' worden, waaraan jonge onderzoekers een gestructureerde opleiding krijgen.

Volgens de commissie dreigt het kunsthistorisch onderzoek aan de universiteiten ondergesneeuwd te raken doordat het veelal is ondergebracht in bredere interdisciplinaire vakgebieden zoals cultuurgeschiedenis. Binnen de eigen discipline is gebrek aan samenwerking en coördinatie. De grote toeloop van studenten kunstgeschiedenis gaat ten koste van het wetenschappelijk onderzoek, omdat de onderwijsstaf niet voldoende is uitgebreid. Veel onderzoekers klagen erover dat het werkklimaat ongunstig is benvloed door de inkrimping van personele middelen en de toename van de werklast met taken die niets met onderzoek te maken hebben. Het rapport noemt het "kenmerkend voor de laatste jaren' dat veel hoogleraren kunstgeschiedenis een weerzin ontwikkelen tegen hun werk en vroegtijdig uit het ambt treden, omdat ze enerzijds te weinig ruimte krijgen voor onderzoek en anderzijds overbelast raken met bijkomende taken. De verkenningscommissie adviseert hierin verbetering te brengen door een strengere selectie van de studenten, bijvoorbeeld door het propaedeuse-examen te verzwaren, en een uitbreiding van het aantal docenten.

De commissie constateert dat Nederland aansluiting bij het buitenland dreigt te verliezen omdat er te weinig financiële mogelijkheden zijn voor publikaties in vreemde talen. Daarom zouden de ministeries van O en W en WVC, de musea en de universiteiten de handen ineen moeten slaan om een vertaalfonds op te richten.

Gebleken is ook dat de kunsthistorische bibliotheken de stroom van publikaties niet aan kunnen, waardoor bepaalde vakgebieden verloren dreigen te gaan. De commissie stelt voor geld beschikbaar te stellen voor enkele grote, niet-universitaire bibliotheken, die dan een centrale, coördinerende taak op kunsthistorisch gebied zouden moeten krijgen. Ook vindt de commissie dat bibliotheken en documentatie zoals die van het Stedelijk Museum in Amsterdam of van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg openbaar toegankelijk moeten worden gemaakt.

Minister Ritzen zal het rapport voorleggen aan een aantal organisaties voor wetenschappelijk onderzoek. Over de aanbevelingen op het gebied van cultuurbeleid zal hij overleg plegen met zijn collega van WVC. De verkenningscommissie is in januari 1992 door Ritzen opgericht. Doel was het kunsthistorisch onderzoek te beschrijven en aanbevelingen te doen voor de komende tien tot vijftien jaar. Voorzitter van de commissie is prof. dr. B.W. Meijer, directeur van het Nederlands interuniversitair kunsthistorisch instituut in Florence. Het rapport is gebaseerd op een enquête onder kunsthistorische vakgroepen en instituten en gesprekken met vooraanstaande kunsthistorici in het buitenland.