Homo faber bijna God

De mens is zowel groter als kleiner dan hijzelf. Met zijn technische verworvenheden overtreft hij zichzelf, maar met zijn verantwoordelijkheidsbesef en zijn morele fantasie blijft hij achter bij zichzelf. De mens is, zoals Günther Anders schrijft, antiquiert, dat wil zeggen achterhaald door zijn eigen geobjectiveerde technische vermogens.

De technologische ontwikkeling kan als een autonoom proces worden beschreven waarop de mens zelf geen greep meer heeft. De krachten die hij heeft ontwikkeld vallen nauwelijks meer te beheersen. In de onlangs bij Ambo/Baarn verschenen bundel De maat van de techniek onder redactie van Hans Achterhuis wordt de vraag opgeworpen of de mens nog wel de maat van alle dingen is. Het boek is bedoeld als een inleiding in de filosofie van de techniek, die de vraag aan de orde stelt of de mens de techniek beheerst of dat de techniek hem beheerst.

Tegenover de opvatting dat techniek een autonoom verschijnsel zou zijn, staat de benadering die niet alleen naar de gevolgen kijkt, maar ook naar de ontwerpfase. Achterhuis beschouwt deze sociaal-wetenschappelijke bestudering van de techniek, die bekendstaat als sociaal-constructivisme, als een belangrijke bijdrage aan de techniekfilosofie.

Technologie wordt hierin als een sociale constructie bestudeerd, waaraan maatschappelijke keuzen ten grondslag liggen. Empirisch onderzoek van het ontwerpproces laat telkens zien dat de fiets, de koelkast en de auto niet als kant-en-klare artefacten ter wereld kwamen, maar dat allerlei maatschappelijke groepen er hun eigen versie van definieerden en vorm aan gaven.

Zolang dit proces nog niet is afgesloten, blijft het artefact flexibel. In de afsluitende fase ontstaan technische produkten die een stabiele maatschappelijke en economische betekenis hebben. Deze stabilisatie kan op verschillende manieren totstandkomen. Herdefiniëring van het probleem en oplossing met behulp van retorische middelen zijn daarbij belangrijke mechanismen. Vooral dit laatste lijkt mij van belang, omdat er voor sociale acceptatie van grootschalige technologieën als kernenergie propaganda moet worden gemaakt, soms in de vermomming van een brede maatschappelijke discussie.

Het sociaal-constructivisme is er nog nauwelijks aan toe gekomen de sluitings- en stabiliseringmechanismen te relateren aan de ruimere sociaal-culturele context. Het zou een maatschappelijk lege methodologie blijven als het de fundamentele vragen en de brede benadering van de grote techniekfilosofen zou laten liggen. De bundel introduceert zes van deze denkers: Ellul, Heidegger, Mumford, Anders, Gehlen en Jonas.

Volgens Ellul is de techiek op alle niveaus van het menselijk bestaan de dominante factor. Het technisch fenomeen ziet hij als een ondeelbare eenheid, zodat geen zinvol onderscheid kan worden gemaakt tussen goede en slechte techniek. Als voorbeeld gebruikt Ellul de auto. De auto levert een bijdrage aan de mobiliteit van mensen, maar aan deze gewenste functie is het ongewenste effect verbonden dat er maandelijks duizenden doden worden geofferd.

Nog in een ander opzicht dan de Franse socioloog bedoelt kan de auto als metafoor voor de moderne samenleving gelden. Zij vereist een infrastructuur die landschappen ingrijpend verandert en legt de deelnemers aan het snelverkeer een discipline op die niet alleen door gedragsregels, maar ook door de alomtegenwoordige waarneming door verborgen camera's wordt afgedwongen.

In zijn gesprek met Wim Kayzer in de tv-serie Een schitterend ongeluk van de VPRO zei de wetenschapsfilosoof Stephen Toulmin het beheerste gedrag van automobilisten te zien als een bewijs dat de mensen ook vredelievend kunnen samenleven. Ze behoeven het voortbestaan van de menselijke soort niet in gevaar te brengen met hun technologie die de apocalyps naderbij zou kunnen brengen, mits zij zich maar onderwerpen aan de gedragscodes die passen bij een zorgvuldig omgaan met de "megamachine'.

Dit brengt ons bij de visies van denkers als Foucault en Mumford, die er beiden de nadruk op leggen dat industriële en technische ontwikkelingen steeds werden voorafgegaan en mogelijk gemaakt door veranderingen in mentaliteit en cultuur. De sociaal-culturele veranderingen die Foucault als disciplinering beschrijft en Mumford als de opkomst van de megamachine bereidden de ontwikkeling van technieken voor die de maatschappij bijna totaal zichtbaar en beheersbaar moeten maken.

De ambities van technologie en wetenschap zijn letterlijk onbegrensd. Nu hij Francis Bacons Nieuw Atlantis zo goed als verwezenlijkt heeft, reikt homo faber letterlijk naar de sterren. De kolonisering van de planeet Mars is onderwerp van serieus wetenschappelijk onderzoek. Er is zelfs al een woord voor gevonden: terraformation. De feilbare mens met zijn oppermachtige techniek is bijna God geworden.