Economische logica werkt niet in de handel met Tokio

TOKIO, 16 FEBR. Al tien jaar lang beheerst het Amerikaanse handelstekort met Japan de betrekkingen tussen beide landen, die samen goed zijn voor veertig procent van de totale wereldproduktie. Al tien jaar lang zijn alle argumenten gewisseld, zonder dat beide partijen een stap dichterbij zijn gekomen. Al tien jaar lang is er gesleuteld, overlegd en beloofd, is door Amerika sectorale handelspolitiek gevoerd, is er een forse appreciatie van de yen geweest, waren er bilateriale besprekingen over structurele handelsbelemmeringen, heeft Japan zijn export van auto's "vrijwillig' beperkt en op grote schaal fabrieken gebouwd in de VS - maar is het handelstekort gebleven.

Voor Japan is de oorzaak heel simpel: Amerika leeft boven zijn stand, de Amerikanen consumeren te veel en Amerika heeft zijn handelstekort dus aan zichzelf te wijten - een handelstekort dat Japan financiert. Voor Amerika is de oorzaak niet minder eenvouding: Japan schermt zijn markt af voor buitenlandse produkten, zodat Amerika de kans wordt ontnomen zijn invoer uit Japan zelf te betalen uit de opbrengst van zijn export.

Nog vorige week kreeg kreeg Mickey Kantor, de nieuwe Amerikaanse handelsgezant van president Clinton, een rapport aangeboden van een groep Amerikaanse adviseurs, dat het Amerikaanse standpunt onderstreepte. Zes grote industrielanden waren onderzocht op het buitenlandse aandeel in hun consumptie van industriële produkten, en Japan scoorde het slechtst met een “buitengewoon laag percentage” van 5,9 procent. De op een na laagste score had Italië met 12,6 procent en Amerika zelf kwam uit op 15,3 procent. Kortom, zo suggereerde het rapport: Japan is protectionistisch.

Is Japan protectionistisch, zelfs structureel protectionistisch, zoals de "revisionistische school' onder de Japan-pundits beweert? Volgens de Oeso, de club van 24 rijke landen in Parijs, heeft Japan, vergeleken met Europa en Amerika, het laagste gemidddelde invoertarief op industrieprodukten en zijn ook de non-tarifaire belemmeringen lager dan in de meeste landen van de Oeso - landbouwprodukten uitgezonderd (op dit gebied zondigt de EG niet minder). Japan kent geen subsidies om zijn export te bevorderen, zoals het Westen, geen massieve steun voor onderzoek en ontwikkeling, zoals Amerika, waar vijftig procent wordt gefinancierd door de overheid.

Van het Amerikaanse handelstekort met Japan komt meer dan negentig procent voor rekening van vier produkten: auto's, computers, halfgeleiders en videorecorders. De export van Japanse auto's daalt niettemin al negen jaar achtereen. Op het gebied van computers is Amerika bezig terug te slaan. Amerikaanse computerfabrikanten als IBM, Apple, Compaq, Dell hebben in Japan een prijzenoorlog ontketend, die zelfs het oppermachtige NEC met een binnenlandse marktaandeel van ruim 50 procent heeft gedwongen de handschoen op te pakken. Bij halfgeleiders is Japan marktleider op het gebied van geheugenchips, nadat Amerika zich destijds uit deze markt terugtrok in de verwachting dat er op den duur geen winst meer te behalen viel - een verwachting die is uitgekomen. Maar Japanse fabrikanten gaan nu allianties aan met Amerikaanse elektronica-fabrikanten, omdat ze de hoge investeringskosten voor geheugenschips niet meer alleen kunnen opbrengen.

Amerika heeft weer een ijzersterke positie opgebouwd in de hogere segmenten van de chipsmarkt. Bijna alle Japanse computers zijn tegenwoordig uitgerust met micro-processoren en besturingssoftware van Amerikaanse makelij. De lagere marktsegmenten, zoals chips voor huishoudelijke apparatuur, zijn grotendeels in Japanse handen. Bij audio- en videoapparatuur verloor Amerika smadelijk de slag, omdat zijn industrie voor consumentenelektronica werd weggevaagd door een simpele Japanse succesformule: opzettelijke overproduktie, met als enig doel via lage vaste kosten marktaandeel te veroveren. Onbetamelijk? De Japanse industrie zit nu diep in de problemen, omdat ze een tweede poging jammerlijk zag mislukken na het barsten van de luchtbel-economie van buitensporige speculatie. Ze zit nu opgescheept met een kolossale overcapaciteit en excessief hoge afschrijvingskosten.

Hoe komt het dan dat het Japanse handelsoverschot almaar opzwelt, dit jaar tot 130 miljard dollar, waarvan 50 miljard dollar voor rekening komt van Amerika? Een van de oorzaken zijn de prijzen. Vanaf 1991 daalden de invoerprijzen, maar stegen de uitvoerprijzen. Dat deed het handelsoverschot in waarde explosief groeien. Maar volgens deskundigen is dat een tijdelijk verschijnsel, omdat het prijseffect vroeg of laat van invloed moet zijn op het volume. Dat effect treedt inderdaad al op: de groei van de export in volume daalt al drie jaar lang, van 5,5 procent in 1990 tot 2,7 procent in 1992. Maar de groei van de invoer in volume is nog meer afgezwakt - en net nu daar zit 'em de kneep, want de almaar goedkoper wordende invoer zou immers tot een stijging van het volume moeten leiden. Worden de dalende invoerprijzen dan niet doorberekend aan de consument, zodat hij meer buitenlandse produkten koopt? Klopt.

Zo er één sector in Japan is afgeschermd, dan is het de distributie-sector, met zijn overvloed aan groothandels en detaillisten. In Japan zijn er relatief twee keer zo veel winkels als in Amerika of Duitsland en ook twee keer zo veel groothandels. Winkels die met handen en voeten zijn gebonden aan de fabrikanten. Vertikale prijsbinding is weliswaar bij wet verboden, maar het verschijnsel van "aanbevelingsprijzen' is wijd verbreid. Onverkochte produkten neemt de fabrikant terug om "afprijzing' te voorkomen. Het commerciële risico dat een winkelier normaal loopt is in Japan vrijwel afwezig, hij heeft het afgekocht met bestaanszekerheid en zich daarmee uitgeleverd aan de industrie, die zodoende zich heeft verzekerd van exclusieve verkooprechten. Een Japanse winkelier, zeker de vele kleintjes, zal nooit het risico willen lopen dat inherent is aan vreemde, Westerse produkten, die dan wellicht goedkoper zijn, maar waarmee hij opgescheept zit als ze niet zouden worden verkocht.

Veel winkeltjes zijn economisch onrendabel, fungeren als nevenverdienste, als sociaal opvangnet voor de vele Japanners voor wie een goed betaalde baan niet is weggelegd. Zo Japan werkloosheid kent, dan is die goed verstopt in zijn distributie-sector met zijn uitzonderlijk lage produktiviteit en hechte sociale banden met zijn klanten. De vele kleine winkeltjes, met hun op straat vrolijk uitgestalde waren, die lang open zijn en op loopafstand en makkelijk bereikbaar, leveren de consument een ongekende dienstverlening, maar het is zonneklaar dat de consument voor dit gerief een hoge rekening betaalt. Maar per saldo hoger dan in het Westen? Wat men in het Westen betaalt aan sociale premies en criminaliteitsbestrijding, betaalt de Japanse consument aan hoge prijzen voor zijn kleding, bier en cosmetica. Hoge prijzen waarvan niet de kleine winkelier, wel de fabrikanten en de gelaagde tussenhandel wijzer worden.

In Japan gaan steeds vaker stemmen op dat dit distributiesysteem op de helling moet. De snelle vergrijzing van de bevolking zou het onontkoombaar maken om dit reusachtige arbeidsreservoir aan te spreken. Maar het systeem geniet vooralsnog de oogluikende bescherming van de LDP en de bureaucraten met hun discretioniare macht van duizenden administratieve richtlijnen. Een macht, die geen wettelijke grondslag kent, onhelder is en daarom willekeur uitlokt, willekeur vooral jegens buitenlandse fabrikanten. De kleine winkeliers genieten belastingvoordelen, hoeven geen boekhouding erop na te houden, zullen niet uitbreiden zolang huur van nieuwe panden onbetaalbaar is en leveren de LDP een vast en betrouwbaar stemmenblok op. Wie de koevoet zet in dit systeem, zet de koevoet in niet minder dan de Japanse machtsconstellatie.

(Geraadpleegde literatuur: OECD Economic Surveys, Japan, 1991/1992, Paris, 1992 en Jeroen C.A. Potjes, Empirical Studies in Japanese Retailing, dissertatie, Rotterdam, 1993)