Burgemeester pleit agenten vrij van dood Köksal; "Als leek trek ik de conclusie dat van dood door schuld geen sprake is'

Nadat hij tien uur in een politiecel had doorgebracht, overleed begin januari de Turkse metaalgieter H. Köksal aan een hersenbloeding. Burgemeester J.A. van Graafeiland van Venlo weigerde dit weekeinde disciplinaire stappen tegen de betrokken agenten te nemen, ook al werd Köksal bij zijn arrestatie ernstig mishandeld. Een interview met een burgemeester onder vuur: “Ik laat me niet leiden door publieke verontwaardiging.”

VENLO, 16 FEBR. Met een voldane blik schuift burgemeester J.A. van Graafeiland (VVD) het één minuut oude persbericht over zijn bureau. Zijn mening dat de zes agenten die betrokken zijn geweest bij de noodlottige arrestatie van H. Köksal, gewoon in functie kunnen blijven, hoeft hij niet te herzien. Zo luidt althans het advies dat hij heeft ingewonnen bij het Centraal Bureau voor Publiek Recht en Administratie.

Om te staven dat de mening van de onafhankelijke deskundige meer behelst dan een geruststelling dat zijn standpunt verdedigbaar is, leest Van Graafeiland voor: “Daarom dienen ordemaatregelen naar mijn mening achterwege te blijven.” Het woord "dienen' spreekt hij met zoveel nadruk uit dat de punten van zijn martiale knevel, een overblijfsel uit een vorig bestaan als beroepsofficier, nog verder omhoog wijzen.

De Venlose burgervader, tevens lid is van de Eerste Kamer voor de VVD, is de afgelopen dagen van verschillende kanten belaagd omdat hij weigerde de agenten te schorsen die door Justitie worden verdacht van dood door schuld en het in hulpeloze toestand achterlaten van een persoon. Evenmin wenste hij maatregelen te nemen tegen twee agenten die worden verdacht van mishandeling van Köksal. De agenten dachten dat de man dronken was, terwijl hij in werkelijkheid een hersenbloeding had.

Het gerechtelijk vooronderzoek, dat vorige week naar aanleiding van een rapport van de rijksrecherche is ingesteld, moet duidelijk maken of Köksal in leven had kunnen blijven als hij was overgebracht naar het ziekenhuis in plaats van naar een politiecel, waar hij van vier uur 's nachts tot twee uur 's middags zonder medische verzorging opgesloten bleef.

Afgelopen zaterdag bleek tijdens een ontmoeting met Turkse parlementariërs en leden van de Turkse gemeenschap in Venlo de conclusie van dat onderzoek al vast te staan voor Van Graafeiland. “De heer Köksal is niet overleden als gevolg van politieoptreden, dat staat voor mij vast. Dat blijkt ook nergens uit het gerechtelijk onderzoek tot nu toe. De heer Köksal is overleden aan een hersenbloeding, waar volgens de neurologen niets meer aan te doen viel,” zei hij toen.

Van Graafeiland ziet geen aanleiding om op die uitspraak terug te komen. “Ik kon het niet over mijn kant laten gaan dat een van de Turkse parlementariërs zei dat de dood van Köksal het gevolg was van een agressieve aanhouding door de politie. Hij legde een relatie tussen het geweld en de dood, maar uit het onderzoek van de rijksrecherche blijkt eerder het tegendeel. Als de brigadier, die bij die aanhouding was betrokken, door Justitie wordt verdacht van mishandeling, dan trek ik daar a contrario en als leek de conclusie uit dat hem dus geen dood door schuld wordt verweten.” Zijn conclusie dat het leven van Köksal niet meer te redden was, vindt Van Graafeiland niet voorbarig: “De man is overleden aan een hersenbloeding, die al vóór de arrestatie was opgetreden. In het sectierapport wordt gezegd dat die niet operabel was.”

Alle fouten van de politie vallen terug te voeren op de "fatale misinterpretatie' van de symptomen van de hersenbloeding, zegt Van Graafeiland: “Ik mis in het rapport van de rijksrecherche een beschouwing over de vraag hoe logisch of onlogisch het is dat een hersenbloeding wordt aangezien voor dronkenschap. Voor mij is dat wel een van de elementen die ik wil laten meewegen. Dat er dingen zijn misgegaan staat vast, maar ik wil ook weten wat de omstandigheden waren waaronder het misging voordat ik maatregelen neem. Als ik dat niet doe word ik straks door betrokkenen via het ambtenarenrecht bij de haren gegrepen.”

Van Graafeiland sluit niet uit dat hij in een later stadium disciplinaire straffen zal opleggen aan de agenten, maar hij wil daar nu niet op vooruitlopen met ordemaatregelen. ,Als je vindt dat iemand uit het korps moet worden verwijderd, schors je die man omdat je de kans op strafontslag groot acht. Maar dat is nu niet aan de orde.''

Voor vijf agenten acht Van Graafeiland het zo onwaarschijnlijk dat hen strafontslag te wachten staat, dat hij hen nu ook niet uit het korps wil verwijderen. Voor de zesde betrokkene, een 58-jarige brigadier, die volgens getuigen Köksal ernstig heeft mishandeld en hem zonder reden heeft geboeid, liggen de zaken anders. Hij hoeft niet uit het korps te worden verwijderd, omdat hij ziek thuis zit. De brigadier kreeg direct na de arrestatie last van hartklachten en werd naar het ziekenhuis overgebracht. Zou Van Graafeiland hem schorsen als hij wel naar zijn werk zou komen? Na lang nadenken is het aarzelend antwoord: “Ja, dan zou ik het toch gerechtvaardigd hebben gevonden een ordemaatregel te treffen.”

De burgemeester wil zeker geen maatregelen nemen om de indruk weg te nemen dat hij zijn politiekorps de hand boven het hoofd houdt. “Ik laat me niet leiden door emoties of door de publieke verontwaardiging. De zaak ligt veel ingewikkelder dan de Turkse gemeenschap of de advocaten wensen aan te nemen. Ik zie mij bijvoorbeeld nog geen disciplinaire maatregelen nemen tegen een adjudant die 's morgens opkomt en dan te horen krijgt dat er in het cellencomplex iemand zijn roes ligt uit te slapen. Die man heeft dat gewoon als een "artikel 26-geval' beoordeeld, maar hij zit nu wel in het beklaagdenbankje op verdenking van dood door schuld, omdat hij op die mededeling is afgegaan.”

Niet alleen de politie is haar korpsbeheerder dankbaar dat hij niet heeft willen toegeven aan de druk van buitenaf om ordemaatregelen te treffen, zegt Van Graafeiland. Ook de Venlose burgerij heeft veel waardering voor zijn houding getoond: “Ik merk niets van een geschonden vertrouwen in de politie. Integendeel, ik ben nog nooit door zoveel burgers aangesproken, die mij complimenten maakten omdat ik mijn rug recht heb gehouden. Alleen de Turkse gemeenschap, de parlementaire delegatie en de advocaten denken daar natuurlijk anders over. Ik word in een rol gedrongen van verdediger van de politie, alleen maar omdat ik niet de andere kant kies. Als blijkt dat de politie een tik nodig heeft, krijgt ze die ook van mij. Ik ben niet bang voor de politie, maar ook niet voor de Turkse gemeenschap. Ik laat me door niemand opdrijven.”

Van Graafeiland zegt niet bang te zijn dat de affaire sluimerende tegenstellingen heeft aangewakkerd tussen Turken en autochtonen, die uit een zeer recent verleden stammen, toen Venlo de strijd aanbond tegen de koffieshops. Het centrum van de grensstad telde tot voor kort veertig koffieshops, die zich richtten op Duitse drugtoeristen en waarvan een groot deel door Turken werd geëxploiteerd.

“Op een gegeven moment liep het hier in de stad volslagen uit de hand met de koffieshops en de visueel vervuilende factoren die daaruit voortvloeiden. Ik heb niet het gevoel dat het door de Venlose bevolking direct in verband werd gebracht met de Turkse gemeenschap, men was gewoon tegen het verschijnsel koffieshop. Ik denk dat veel mensen zagen dat allochtonen daar een flinke rol in speelden, maar dat zij niet wisten of dat nu Turken, Marokkanen of anderen waren.”

Van Graafeiland geeft toe dat het bij de politie wel bekend was dat de meeste koffieshops op naam stonden van Turkse uitbaters en dat er zelfs drie op naam stonden van S. en M. Köksal. Heeft hij bij lezing van het rapport van de rijksrecherche niet de indruk gekregen dat de naam als een rode lap op een stier heeft gewerkt? “Misschien heeft dat bij die aanhouding wel een rol gespeeld, ik weet het niet. Ik ben bang dat ik daar ook nooit achter kom. Zoiets zal wel altijd ontkend worden.”