Bob Dylan sloft het podium op en zingt ouderwets goed

Gehoord: Bob Dylan, Vredenburg Utrecht 15/2. Nog te zien: Vredenburg 16/2, Eindhoven, 17/2.

Wat was er eigenlijk mis met Bob Dylan? Te veel om op te sommen, leek het wel de afgelopen jaren. De 51-jarige "stem van een generatie' was vervallen tot een schorre karikatuur van zichzelf, leek het, een Kaspar Hauser van de rock die tot weinig meer in staat was dan amechtig voortrommelen. Dylan zingt als "een zeeleeuw met longemfyseem', noteerde onlangs een Britse krant. Publiek dat nog naar zijn optredens gaat, bestaat uit "het soort mensen dat vaart mindert op de snelweg om een wrak te bekijken', aldus vorig jaar een Canadese krant na een rammelend optreden in Toronto.

Maar niet heus. Dat al dergelijke grafschriften voorbarig zijn, bewees Dylan gisteravond met een verbluffend concert in het Utrechtse Vredenburg, waar hij gesteund door een vierkoppige, country-getinte begeleidingsband een onverwacht overtuigende, ronduit inspirerende selectie ten beste gaf uit oud en recent werk. Het leek wel of hij revanche wilde nemen voor zijn vertoning in dezelfde zaal twee jaar geleden, toen hij door dronkenschap of desinteresse het optreden roemloos tenonder liet gaan. Van geen van beide viel dit keer iets te bespeuren. Dylan, gestoken in een rood geruit houthakkershemd en eindelijk weer eens blootshoofds op het podium, gaf alles wat hij had. Nummers als Tangled up in Blue, Don't Think Twice, It's All Right, I and I, Ballad of a Thin Man en zelfs de krachttoer Memphis Blues Again klonken als een klok. De voormalige protestzanger, die het grootste deel van het concert akoestisch speelde, leek er naarmate de avond vorderde ook steeds meer plezier in te krijgen. Hij zakte als ware macho door de knieën tijdens de instrumentale breaks en waagde zich in Highway 61 Revisited zelfs wijdbeens aan een solo op de elektrische gitaar.

Prominent aanwezig, maar allesbehalve hinderlijk, waren enkele andere vaste ingrediënten van Dylans podium-gedrag. Na een verdienstelijk voorprogramma van de jonge Nederlandse band "Bettie Serveert' slofte de man, de zaallichten nog aan, het podium op als een verdwaalde zwerver uit Hoog Catharijne, ongeschoren en aan zijn krullen plukkend. Hij wisselde geen woord met het publiek, klungelde met mondharmonica's en gitaarsnoeren, snoot zijn neus terwijl de band voortkabbelde en bleek, ondanks dertig dienstjaren, nog steeds niet in staat een fatsoenlijk eind aan een nummer te breien - wat de timing van het applaus nogal bemoeilijkte.

Waarom klonk hij dan toch zo goed? Funest in veel recente Dylan-concerten was de muur van elektrisch geluid waarmee hij zich omringde en waar hij zelf - tevergeefs - bovenuit probeerde te komen. Dat probleem lijkt met zijn jongste band opgelost. Gitarist John Jackson, toetsenist Winston Watson, Tony Garnier op staande bas - alle drie getooid met cowboyhoeden - en drummer Ian Wallace produceerden een strak, gedempt country-rock-geluid dat een perfecte achtergrond vormt voor Dylans rafelige gitaarspel en zangwerk. Tijdens de eerste concerten in Londen vorige week vielen in de arrangementen volgens de kritieken nog "gaten groot genoeg om een bus doorheen te rijden', maar gisteravond bleken Dylan en band soepel op elkaar ingespeeld.

En dan was er natuurlijk de stem, nasaal en sterk aangetast in de loop der jaren maar nog steeds onmiskenbaar en aangrijpend. Dylan, die tijdens concerten nog wel eens wil verzanden in onverstaanbaar gemompel of geknor, zong dit keer ouderwets krachtig en melodievast, alsof hij eindelijk greep begint te krijgen op zijn oude-dag-stem. Het wierp zijn vruchten af, onder meer in een messcherp I and I en een Watching the River Flow waarin hij de melodielijn enthousiast omhoog joeg. Waar dat minder goed lukte, zoals in The Times They Are-A-Changin en If Not For You, zocht hij ijverig naar de elegantste oplossing. Zelfs bij de incidentele missers was het resultaat eerder ontroerend dan pijnlijk. Na achttien nummers, waaronder de traditionals Tomorrow Night en Jim Jones van zijn jongste cd Good As I Been to You, en de laatste van drie toegiften - It Ain't Me, Babe - slofte Dylan na een buiging voor het publiek weer de coulissen in, even verkreukeld als hij er ruim twee uur eerder uit was opgedoken. In de tussentijd had hij ondubbelzinnig duidelijk gemaakt wat het verschil is tussen een echt Bob Dylan-concert en het gehark van zijn vele Kalverstraat-klonen. Hij kan het nog.