Binnen EG klinkt de roep om een handelsmuur tussen Oost en West

Nog maar luttele jaren geleden ging de Berlijnse muur tegen de vlakte. Toen moedigde het Westen de Oosteuropeanen aan hun stagnerende commando-economieën met spoed te vervangen door dynamische vrije markteconomieën. Maar nu de economische stagnatie voelbaar is, groeit in de EG en ook in een als "liberaal' geboekstaafde lidstaat als Nederland de roep om een nieuwe muur tussen Oost en West - een handelsmuur om goedkope produkten uit het voormalige Oostblok te weren.

Restricties bestonden al op textiel, staal, landbouwprodukten, cement en andere Oosteuropese importen. President Jacques Attali van de Europese Bank voor wederopbouw en ontwikkeling schatte vorig jaar dat de helft van de Oosteuropese exporten worstelt met EG-quota, tarieven en andere restricties. Nu regent het krachtige pleidooien tot verdergaande bescherming uit de basismetaal (Hoogovens), de basischemie (DSM), glas, hout en schrootbranches. En zij vinden steeds meer gehoor in Den Haag. Daar pleiten het CDA en de VVD bij monde van hun Kamerleden Leers en Rempt onverbloemd voor verdere afscherming van de thuismarkt tegen vermeend Oosteuropees prijsbederf.

Op 3 februari werd zelfs op deze pagina een nieuwe mercantilistische geest vaardig in een artikel van Pauline van de Ven dat begon met een aantoonbaar onjuiste constatering: “Een belangrijk bezwaar tegen vrijhandel met Oost-Europa en het GOS is dat deze handel waarschijnlijk verliesgevend is.” Twee weken tevoren had het Europese bureau voor de statistiek Eurostat uit Brussel laten weten dat Nederland van alle EG-landen nota bene het grootste handelsoverschot met Oost-Europa heeft. Boekte de hele EG in haar handel met de Oosteuropeanen over de eerste helft van 1992 een overschot van 560 miljoen ecu, Nederland streek daarvan 320 miljoen ecu op. Een goed deel van deze winst gaat naar de vaderlandse zuivel- en vleesexporteurs die met hulp van genereuze EG-subsidies de Oosteuropese boeren in hoog tempo van hun eigen markten drukken.

Nederland boekte niet alleen verreweg het grootste handelsoverschot, het schroefde vorig jaar ook het meest zijn importen uit Oost-Europa terug: met dertien procent. Griekenland en Ierland volgden met min 10,1 procent en min 7,8 procent. Maar die landen hadden tenminste nog het excuus dat zij ook vrijwel niets aan Oost-Europa verdienden. Wie nu meent dat het even riante als genante Nederlandse handelsoverschot met Oost-Europa wat zou worden rechtgetrokken door een overheid, die zegt te sympathiseren met de in pijnlijke veranderingen verwikkelde Oosteuropeanen, vergist zich. Van de totale bilaterale EG-hulp aan Oosteuropese landen neemt de Nederlandse overheid slechts 2,9 procent voor haar rekening, terwijl ons land toch goed is voor 4,6 procent van het bruto binnenlandse produkt van de Gemeenschap.

Firma's als Hoogovens en DSM mogen dan protesteren tegen de marktverstorende prijsonderbieding/dumpingspraktijken van Oost-Europa en hun aantijgingen mogen door sommige Kamerleden als zoete koek worden geslikt, van cijfermatige onderbouwing is geen sprake. Men mag aannemen dat dit een reden is waarom de Nederlandse overheid de bij dumping geëigende weg niet bewandelt: een formele klacht indienen bij de vrijhandelsorganisatie GATT die bij bewezen dumping beschermende maatregelen zonder meer tolereert. In plaats daarvan wordt de suggestie gewekt - zo ook in de interne discussienota "Strategisch Handelsbeleid' van het ministerie van economische zaken - dat de voormalige Oostbloklanden fundamenteel andere economische systemen hebben. Daarbinnen is reële kostprijsberekening onmogelijk waardoor sowieso kan worden overwogen nieuwe handelsrestricties in te stellen. Tegen zulke impressionistische verwijten kan niemand zich verweren.

In werkelijkheid hebben landen als Hongarije, Polen, Tsjechië en Slowakije zich destijds onder Westers applaus in een pijnlijk transformatieproces gestort en worden de contouren van de vrije markteconomie gaandeweg zichtbaar. Dat de Oosteuropese landen nu dank zij hun veel lagere loonkosten (1 op 10) en gunstige wisselkoersen tegen zeer concurrerende prijzen een aantal produkten kunnen aanbieden op de EG-markten is legitiem. Sterker nog: het accepteren van Oosteuropese produkten is voor West-Europa geen kwestie van redelijkheid of zelfs liefdadigheid, maar van welbegrepen eigenbelang. Het betekent voor de EG-consument goedkopere produkten in de winkel en voor de EG-producent goedkopere toeleveranties van grondstoffen, halffabrikaten of onderdelen. Zij zullen dan meer geld hebben om aan andere zaken te besteden wat hun economieën zal stimuleren. Zoals in een recent IMF-rapport wordt opgemerkt: “Het zijn vaak niet de lage prijzen van buitenlandse produkten, maar de hoge prijzen van binnenlandse produkten waartegen wij bezwaar zouden moeten maken.”

Bovendien biedt een export-geleide Oosteuropese ontwikkeling Westeuropese bedrijven een nabije veelbelovende exportmarkt. Dat geldt niet zozeer bedrijven uit verzwakte en verouderde sectoren als staal, textiel, basischemie en delen van de landbouw - die dank zij hun goedgeoliede lobby's elk jaar met 200 miljard gulden aan EG-subsidies op de been worden gehouden - alswel de modernere en meerbelovende bedrijfstaken. Zoals kapitaalgoederen, machines, elektronica, telecommunicatie en transportmiddelen.

Westeuropese besluitvormers kunnen lering trekken uit ervaringen in de Verenigde Staten waar ondanks protesten van de vakbeweging ("banenverlies') en van de milieubeweging ("stinkende zuiderburen') de grens met Mexico in Nafta-verband wordt opengegooid. Washington weet dat de discipline van nabije lage-kosten-produktie in de concurrentieslag met Japan en Europa een kans biedt die moet worden benut in plaats van vermeden.

Daar komt bij dat Westeuropees protectionisme, gevolgd door stagnatie van de Oosteuropese wederopbouw, voorspelbare sociale en politieke risico's oplevert. Sociaal, want het uitblijven van economische groei in het Oosten zal zonder enige twijfel leiden tot meer Westwaartse migratie; politiek, want de notie dat de club van democratische en rijke landen bij nader inzien toch niet voor Oosteuropese naties toegankelijk is, speelt regressief populisme in de hand. Het liberaliseren van de West-Oosteuropese handel mag voor sommige Westerse sectoren moeilijk zijn, het alternatief is onmogelijk.