Alleen eenverdieners winnen bij convenant ABP en bonden

Het convenant dat de ambtenarenbonden met het ABP hebben gesloten is nadelig voor alleenstaanden, aldus NRC Handelsblad van 4 februari. Dit is slechts de halve waarheid: tweeverdieners en samenwonende alleenstaanden zijn nog meer benadeeld dan alleenwoners, terwijl alleenverdieners erop vooruit gaan.

Voor de eenvoud van het verhaal laten wij alleenstaande ouders even buiten beschouwing, omdat hun situatie nog ingewikkelder is dan die van andere vijfenzestig plussers. Vóór de verzelfstandiging van de AOW was het ABP-pensioen zó geregeld, dat alleenverdieners en alleenstaanden met veertig dienstjaren konden rekenen op een ouderdomspensioen, dat inclusief de AOW uitkwam op zeventig procent van het laatst verdiende loon. Het ABP hield dus rekening met de lagere AOW van alleenstaanden en gaf hun een hoger aanvullend pensioen dan de alleenverdiener. De alleenverdiener kreeg echter een aanvullend nabestaandenpensioen. Na de verzelfstandiging van de AOW bleef het ABP aanvankelijk deze gedragslijn volgen. Als men aanvullend pensioen als uitgesteld loon ziet, werden alleenverdiener en alleenstaande dus ongelijk beloond.

Het convenant tussen de ambtenarenbonden en het ABP corrigeert dit element van ongelijke beloning door voor iedereen, ongeacht de leefsituatie, een gelijke franchise te hanteren. Het convenant gaat uit van de fictie, dat voor iedereen het onderste inkomenstraject van ƒ 26.500 gedekt wordt door de AOW. De AOW is echter niet voor iedereen gelijk. Alleenstaanden van gelijk of ongelijk geslacht, die (gaan) samenwonen worden bijvoorbeeld behandeld als waren zij gehuwd.

Het totale ouderdomspensioen wordt daardoor, onder overigens gelijke omstandigheden, afhankelijk van de leefsituatie. Ter illustratie voer ik drie mensen ten tonele, die ieder ƒ 40.000 verdienen op hun 65ste en veertig dienstjaren hebben. Bij een franchise van ƒ 26.400 is het aanvullend pensioen 0,7 x (40.000 - 26.500) = ƒ 9.450 (de bedragen zijn terwille van de leesbaarheid afgerond op hele getallen).

De alleenverdiener ontvangt AOW: ƒ 25.000 plus ƒ 9.450 aanvullend pensioen = ƒ 34.450 ofwel 86 procent van het laatst genoten salaris plus nabestaandenpensioen. De alleenwoner krijgt AOW: ƒ 17.500 plus ƒ 9.450 = ƒ 26.450 ofwel 66 procent van het laatst genoten salaris. De tweeverdiener (en dus ook alleenstaanden, die zijn gaan samenwonen) krijgt AOW: ƒ 12.500 plus ƒ 9.450 = 21.950 ofwel 55 procent van het laatst genoten salaris plus nabestaandenpensioen, waarvan het de vraag is of de overblijvende tweeverdienende partner dit nodig heeft. De oorzaak van deze ongelijke pensioenresultaten is de ongelijke AOW-onderbouw. Op het ongelijke, scheve, fundament van de AOW kan men geen aanvullend pensioengebouw zetten dat een recht gebouw voor het totale ouderdomspensioen oplevert.

Als oplossing voor dit probleem stellen sommige pensioenfondsen hun verzekerden, als zij 65 jaar worden, voor de keus:òf een nabestaandenpensioen òf een hoger eigen ouderdomspensioen dat past bij de voor iedereen gelijke franchise. Of iedereen dan een gelijk bedrag uit de pensioenpot krijgt is onduidelijk, maar in ieder geval wordt tegemoet gekomen aan de ongelijke pensioenresultaten die het ABP-convenant thans oplevert voor alleenverdieners, tweeverdieners en alleenstaanden.