Mummie

Ik stap in de trein, ontdek een zitplaats en pak het stuk krant dat iemand daar heeft laten liggen. “Vergif, meneer”, waarschuwt een man in het voorbijgaan. “Als het De Telegraaf is, is het vergif!”

Ik vouw de bewuste krant open, leg hem op schoot en ga naar buiten zitten kijken, knijp mijn ogen samen om beter te zien.

De Telegraaf vergif? Vroeger ja, toen dachten we zo. Toen vonden we kranten ongelooflijk belangrijk. De mens was goed, maar slecht genformeerd, of zoals we ook wel zeiden, misleid. Om de wereld te verbeteren waren voornamelijk betere kranten nodig.

En de ijver van die man, de zendingsdrang, die aandrift om de medemens te behoeden voor het kwaad en tegelijkertijd zijn eigen voortreffelijkheid te demonstreren - die snauwende toon, ook iets van toen.

Kortom, het was net of je werd toegesproken door een mummie en het meest bizarre van alles, bijna had ik nog geluisterd ook, bijna had ik mijn hand teruggetrokken alsof die krant een slang was. Wat je uit zo'n reflex kon opmaken: ergens nog de behoefte om van de partij te zijn.

In de tussentijd is een hindoestaanse conducteur langsgekomen. Nu neemt hij het woord via de intercom. “Dames en heren, wij naderen station Utrecht, eindbestemming van deze trein. U wordt allen verzocht vriendelijk uit te stappen.” En ja, dat doe je dan maar.