Ibsens "diepzinnigste' stuk Rosmersholm vol met melige humor

Voorstelling: Rosmersholm van Henrik Ibsen door FACT. Regie: Erik-Ward Geerlings. Spel: Ruud van der Pluijm, Ilse Froklage, Henri van Zanten, Hilt de Vos en Erik-Ward Geerlings. Decor: Chris van Harskamp, Amitai Ben David e.a. Gezien: 13/2 de Lantaren Rotterdam. T/m 20/2 aldaar. Daarna tournee t/m 3/4.

“ROSMERSHOLM is Ibsens diepzinnigste tooneelwerk. Eene geheel voldoende vertooning ervan schijnt bijna iets onmogelijks.” Honderd jaar geleden werd Rosmersholm voor het eerst in Nederland opgevoerd. De vertolking door het Rotterdamse Tivoli-gezelschap moet te wensen hebben overgelaten, want al na korte tijd verving de directie het stuk door het Hollandse drama Goudvischje.

Is bovengenoemd citaat, te vinden in het programmaboekje van FACT, een vorm van zelfspot? Het lijkt haast alsof de 29-jarige Rotterdamse regisseur Erik-Ward Geerlings voorzag dat ook zjn Rosmersholm weleens roemloos ten onder zou kunnen gaan. Want hoe val je anno 1993 nog op met zo'n grijs gespeeld repertoirestuk? Geerlings probeert zich met melige humor van anderen te onderscheiden.

De vijf spelers werken met een plechtstatige vertaling uit het begin van deze eeuw, zodat vrijwel elke zin lachwekkend klinkt. Vooral de mannelijke personages proberen elkaar in belachelijkheid te overtreffen. Als opgeblazen kikkers spreken zij de toeschouwer toe: de reactionaire rector Kroll net zo goed als de gewiekste vrijdenker Peder Mortensgaard. Met een zwaar Rotterdams accent tracht Mortensgaard (Ruud van der Pluym) de laatste editie van zijn courant De Vuurbaak aan het publiek te slijten; zelfs in de pauze leurt hij er nog mee. Dat is een van de betere vondsten in deze verder niet echt sprankelende voorstelling.

Wat kon je om Erik-Ward Geerlings lachen bij zijn eigen stuk Schoner wonen, waarin hij schitterde als een even schofterige als geestige Bertolt Brecht. Maar in de rol van de gewezen dominee Johannes Rosmer redt hij het niet met alleen een snijdende stem en een getourmenteerde gelaatsuitdrukking. Rosmers innerlijke verscheurdheid, zijn aarzeling tussen Kroll en Mortensgaard, tussen de familietraditie en moderne vrijzinnigheid, doet bij Geerlings volkomen ongeloofwaardig aan, maar echt geestig is zijn malle creatie nu ook weer niet.

Dominee Rosmer komt tot het inzicht dat hij de "menschen' niet 'verbeeteren' kan. Zo is het kennelijk ook met de regisseur gegaan, die zijn uiterste best doet om vermaak te brengen zonder lering. Als hij ons toch iets wil leren, dan is dat misschien wel de achterhaalde idee dat vrouwen een demonische macht bezitten. Want Geerlings lijkt zich nog het meest te interesseren voor Ibsens liefdesleven, dat nogal chaotisch verliep - zo verwekte hij op achttienjarige leeftijd een kind bij een dienstmeisje. Het dienstmeisje Helseth krijgt onder Geerlings' regie dan ook overdreven veel aandacht. Er is zelfs plaats gemaakt voor een solodansje van Helseth-vertolkster Hilt de Vos, waarin zij obsceen tussen haar benen graait.

Voor de trouwe fans van Erik-Ward Geerlings moet dit alles een feest zijn geweest, maar ik verwonderde mij er slechts over dat Ibsens "diepzinnigste toneelwerk' zo'n oppervlakkige uitvoering krijgen kan.