Groot-Inquisiteur was barmhartiger dan Jezus

De gedachte dat Jezus, als hij op aarde terug zou komen, door de christenen als ketter vervolgd zou worden, is al oud. Er moet iets van die aard te vinden zijn in de dertiende-eeuwse Carmina burana. Onder de gravures van Holbein is er één waarop een kardinaal toekijkt bij het geselen en kruisigen van Christus. Ik vond verwijzingen naar Voltaire, Hugo en Balzac.

Zelf heb ik twee van die uitspraken in huis: op 27 oktober 1786, in Terni, op zijn Italienische Reise, schrijft Goethe over de legende van de wandelende jood die op zijn reis door de eeuwen er getuige van is dat Christus als “er zurückkommt, um sich nach den Früchten seiner Lehre umzusehen, in Gefahr gerät, zum zweitenmale gekreuzigt zu werden”. En op 25 december 1945 schreef mijn leermeester, de historicus Jacques Presser, een gedicht Kerstnacht in Auschwitz, waarin Maria, met een transport meegekomen, het leven schenkt aan een kind, dat meteen door SS'ers vermoord wordt: “En zo verging het Christus weerom / Na twintig eeuwen christendom.”

Dostojevski heeft het gegeven "Christus keert terug op aarde en raakt in conflict met de christelijke kerk', gebruikt in zijn Gebroeders Karamazov. In het tweede boek van deze roman laat hij één van de gebroeders, Ivan, aan een andere broeder, Aljosja, de legende vertellen van de groot-inquisiteur. De handeling speelt zich af in Spanje, in de zestiende eeuw. (Als een Russische schrijver iets gewaagds over de christelijke kerk wilde schrijven nam hij niet zijn eigen Grieks-orthodoxe kerk, want dan kreeg hij moeilijkheden met de censuur, maar hij nam wijselijk de kerk van Rome, die in onmin leefde met de kerk van Moskou).

Kort samengevat komt Ivans verhaal op het volgende neer. Op een mooie zomerdag, in Sevilla, verschijnt opeens Christus onder de menigte. Hij wordt meteen herkend, doet enige wonderen, wordt door de inquisitie gearresteerd. Er is een confrontatie van Christus met de groot-inquisiteur, die hem ten slotte vrijlaat met de raad niet weer terug te komen want dan is hij nog niet jarig.

Bovenstaande samenvatting is juist, maar doet geen recht aan de bijzondere draai, die Dostojevski aan zijn verhaal gegeven heeft. In de twist tussen Christus en de kerk kiest hij niet zondermeer de kant van Christus, maar hij geeft aan de kerk, vertegenwoordigd door de groot-inquisiteur, de beste argumenten die hij kan bedenken. Hij doet dus wat een goede schrijver doet als hij een twistgesprek, een dialoog maakt: hij probeert het standpunt van beide partijen zo gunstig mogelijk voor te stellen. Waarbij hij ook nog de slimme truc uithaalt, dat hij een van de twistende partijen de hele dialoog door laat zwijgen.

De inquisiteur dreigt Christus niet alleen met de brandstapel, hij vertelt ook waarom hij niet door hem voor de voeten wil worden gelopen. Christus is hem te streng: hij wil dat de mensen hem uit vrije wil volgen, en dat is een te zware eis. De kerk daarentegen verlost de mensheid van het "verschrikkelijke geschenk' dat vrijheid heet en is dus eigenlijk barmhartiger dan Christus.

Over deze materie is in deze krant (18, 22 en 29 december, 4, 12 en 14 januari jongstleden) een twist ontbrand tussen het CDA-kamerlid Ton de Kok en de columnist J.L. Heldring. De Kok citeert de theoloog Boff, die met Rome overhoop ligt en die het leergezag van Rome "wreed en onbarmhartig' noemt. En dan schrijft De Kok: “Dostojevski's "Groot-Inquisiteur' is een stukje wereldliteratuur dat helaas af en toe in deze context in herinnering wordt geroepen”.

Heldring gaat hiertegen in en wijst op de tekst van Dostojevski's legende: de groot-inquisiteur legt juist uit dat de kerk de zaak van Christus heeft overgenomen en de zware last die hij de mensen oplegt - zij moeten zelf beslissen of zij hem volgen willen - heeft weggenomen, uit barmhartigheid en mensenliefde. Heldring vraagt zich grijnzend af of De Kok Dostojevski's "poëem' over de groot-inquisiteur eigenlijk wel gelezen heeft.

De Kok verklaart op zijn beurt dat hij de Karamazovs wel degelijk gelezen heeft. “Dit werk”, schrijft hij, “blijft bij de meeste slavisten het hele leven - als hun "bijbel' - binnen handbereik.” En hij legt uit, dat juist het de mensen afnemen van hun vrijheid een bewijs is van de onbarmhartigheid van de kerk.

Wie van de beide debaters heeft gelijk? Heldring. Zijn belangrijkste argument is van literaire aard. Als die legende alleen maar een aanklacht was tegen de wreedheid en onverdraagzaamheid van de kerk zou het verhaal oninteressant, banaal en conventioneel zijn en zijn "diepzinnige betekenis' verliezen. Iemand die zijn vader vermoordt en daarvoor gestraft wordt, is literair niet interessant. Interessant wordt het pas als hij alles doet om die vadermoord te vermijden, zoals Oedipus, en nochtans, zonder dat hij daar iets aan doen kan, zijn vader doodt.

Overigens: De Kok maakt zich aan grove overdrijving schuldig als hij beweert dat “de meeste slavisten' de Gebroeders Karamazov als een "bijbel” hun hele leven binnen handbereik hebben staan. Ik heb ongeveer een kwart eeuw Russische literatuur gedoceerd en ik herinner me niet dat ik de legende van de groot-inquisiteur ook maar één enkele maal ter sprake heb gebracht.

De grote bewondering waarmee vaak over die legende gesproken en geschreven wordt, deel ik niet. De argumentatie van de groot-inquisiteur rammelt hier en daar bedenkelijk. Neem de passages over het wonder: satan neemt Jezus mee naar de woestijn en laat hem veertig dagen hongeren. Dan zet hij hem aan om stenen in brood te veranderen. Jezus weigert dat. De inquisiteur legt dat als volgt uit: door het doen plaatshebben van een wonder zou Jezus een gemakkelijke weg hebben gekozen om de mensen te bekeren. Als je wonderen doet, loopt iedereen je achterna. Jezus wil echter alleen gevolgd worden door mensen die dat vrijwillig doen.

Hier vergeet Dostojevski dat de scène van satan met Jezus zich zonder publiek heeft afgespeeld en dat die in brood veranderde stenen voor Jezus zelf bestemd zouden zijn geweest en niet voor de omstanders. En bovendien: Jezus had helemaal geen afkeer van wonderen. Het Nieuwe Testament staat bol van de wonderen, door Jezus verricht. En in Dostojevski's eigen verhaal doet Jezus in Sevilla twee keer een wonder: hij maakt een blinde ziend en hij wekt een klein meisje op uit de dood. Kortom, Jezus als godsdienststichter versmaadde het wonder als propagandamiddel helemaal niet.