"Elke moslim dient Rushdie te elimineren'

TEHERAN, 15 FEBR. “Salman Rushdie moet en zal geëxecuteerd worden (..) Elke moslim dient deze schadelijke persoon te elimineren.” Aldus ayatollah Ali Khamenei, de opvolger van wijlen imam Khomeiny en als zodanig de Opperste Leider van de Islamitische Republiek Iran, gisteren tijdens een bijeenkomst van hoge moslim-geestelijken die diverse religieuze scholen in Iran vertegenwoordigen.

Hij herhaalde - maar ditmaal veel harder - wat hij reeds een paar maal in het verleden had gezegd. Khomeiny's fatwa (het religieuze decreet) van precies vier jaar geleden, waarin de doodstraf tegen de schrijver van het boek De Duivelsverzen werd uitgesproken, wegens belediging en afvalligheid van de islam, “is onherroepelijk en niemand kan over die straf marchanderen”.

Khamenei onderstreepte dat de machthebbers in de Islamitische Republiek daarover unaniem dezelfde mening hebben, waarmee hij in één klap een einde maakte aan de pogingen van president Rafsanjani om - ten behoeve van de hoog nodige kredieten en investeringen uit het Westen - de Rushdie-affaire voorlopig achter dikke gordijnen te schuiven.

De tenuitvoerlegging van de doodstraf over Rushdie is volgens Khameneï “een plicht voor elke moslim”. De Gids van de Natie viel dan ook fel uit tegen de Britse regering, die zulks had verhinderd. Hij verzocht de Britse regering met klem om haar onderdaan “uit te leveren”, opdat het doodvonnis nu eindelijk kan worden voltrokken. In Khameneis woorden: “Het is een redelijke oplossing als de Britse regering deze afvallige aan de moslims uitlevert, opdat hij gestraft worde.”

Volgens Khamenei is de ontevredenheid van de Britse en andere Europese regeringen “ van geen belang” en heeft de Islamitische Republiek Iran “nimmer beloofd dat zij niets zal doen wat Groot-Brittannië mishaagt”. Hij noemde de steun van de Europese regeringen “onderdeel van een Westers komplot om de islam te beledigen”.

De uitspraken van de Opperste Leider kwamen voor de kenners in Teheran bepaald niet onverwacht. Iran zit in zeer ernstige economische problemen, als gevolg van drie factoren: de vernietigende oorlog tegen het Irak van Saddam Hussein, de miljarden-aankopen die de regering na die oorlog voor wapens en voor dure consumptiegoederen deed, en de explosieve bevolkingstoename in het land.

Die economische problemen noodzaken de regering om - aarzelend, maar tòch - de deur naar de Westerse verschaffers van kapitaal en deskundigheid open te zetten. Zo reisden bij voorbeeld Iraanse oliedeskundigen drie weken geleden naar de VS om daar met Amerikaanse collega's over samenwerking te praten. Elke dag groeit de handel met het duivelse Amerika. En de leuzen, waarin "Dood aan Amerika' worden geroepen, klinken steeds zachter. De Amerikaanse vlaggen, die men vroeger met voeten moest treden en bevuilen alvorens overheidsinstellingen of internationale hotels te betreden, zijn spoorloos verdwenen.

Pag.4: "Khomeiny, wij zullen jouw vlag nooit strijken'

Tijdens de oorlog tegen Irak waren de machthebbers van de Islamitische Republiek in een uitzonderlijk behaaglijke situatie: de bevolking stelde zich teweer tegen de gevaren van buiten. Maar nu komen de gevaren veel meer van binnenuit - althans zo ervaart het overgrote deel van de geestelijkheid dat. Het zijn, precies zoals in het begin van de triomferende Islamitische Revolutie, vooral culturele gevaren. Het vooruitzicht dat de gelovigen het rechte pad zullen verlaten en de Revolutie de rug toekeren - enerzijds door hun snel groeiende economische problemen, anderzijds door een toenemende verwesterlijking van de samenleving - wordt steeds reëler. Daarmee zouden de belangrijkste verworvenheden van de Revolutie verdwijnen.

De aanhangers van de Revolutie, met inbegrip van de zogenaamde "pragmatici' onder leiding van president Rafsanjani, stellen dan ook dat de Revolutie niet werd gemaakt om rijker te worden of een beter leven te krijgen. “Onder de sjah hadden wij het economisch heel goed”, zegt één van hen. “Wat wij wilden, was een verandering van het godloze regime, totale onafhankelijkheid van het buitenland, een islamitische grondwet en islamitische instellingen. Daarvoor hebben we de Revolutie gemaakt.”

Vrijwel alle stromingen binnen de geestelijkheid willen die verworvenheden koste wat het kost in stand houden - ook president Rafsanjani en zijn aanhangers. Want die verworvenheden bepalen niet alleen hun ideologie, maar ook hun politieke en economische macht. Het enige meningsverschil dat er bestaat, is op welke manier men de Islamitische Revolutie kan behouden. De politieke keuzes zijn, aldus een Iraanse journalist: het land langzaam maar zeker te openen voor de wereld, in het bijzonder voor het Westen, teneinde de Islamitische Republiek economisch te moderniseren, zodat haar macht, invloed en uitstraling in de wereld niet verloren gaan; zich strikt te houden aan de idealen van de Revolutie en af te wachten waar men strandt. De voorstanders van deze koers zeggen dat een te grote opening naar het Westen op termijn nieuwe afhankelijkheid van het buitenland zou scheppen, wat het einde van de Islamitische Revolutie zou betekenen.

De in Teheran gestationeerde Westerse diplomaten hoopten tot voor enkele dagen op de eerste keus, die zij dan ook verwachtten. Maar de Iraanse specialisten achtten de tweede keus veel waarschijnlijker. Zij denken dat ook Rafsanjani zich daarbij uiteindelijk moet neerleggen. Niet voor niets luidt één van de weinige (Engelstalige) leuzen die de muren van Teheran nog sieren: “Beminde Khomeiny, wij zullen de vlag die jij hebt gehesen, nooit strijken”.

Vier jaar geleden - een week na het uitspreken van zijn fatwa - waarschuwde imam Khomeiny in niet mis te verstane bewoordingen de mullahs, met inbegrip van de Groot-Ayatollahs, dat hij strenge maatregelen tegen hen zou nemen als zij leugens over de Revolutie verspreidden en de Islamitische Republiek op het Amerikaanse pad, dat wil zeggen op de weg van het liberalisme, probeerden te brengen. Enkele maanden later werd zijn reeds benoemde opvolger Hussein Ali Montazari, die tot ongenoegen van veel geestelijken tot Groot-ayatollah was gebombardeerd, gedegradeerd tot ayatollah en als opvolger afgezet.

Nu doet zich een soortgelijke situatie voor. Op 1 februari hield president Rafsanjani een persconferentie, waarvoor buitenlandse journalisten in groten getale waren uitgenodigd. Op die persconferentie suggereerde Rafsanjani heel vaagjes dat er mogelijkheden waren (waarin hij overigens niet zei te geloven) om tot betere betrekingen met het Westen te komen, ja zelfs met de Verenigde Staten. Als hoofd van de regering nam hij afstand tot Khomeiny's fatwa inzake Rushdie. Want die was uitgesproken door een eminente mujtaheed (een islamitische rechtsgeleerde). Niemand kan volgens Rafsanjani de inzichten, op grond waarvan de fatwa tot stand kwam wijzigen, behalve de mujtaheed zelf. Dat is echter niet langer mogelijk omdat “hij helaas niet langer onder ons is”. Rafsanjani noemde de druk op Iran om de uitspraak van deze rechtsgeleerde te wijzigen, een politiek bedoelde “demagogische stap”. “Het Westen heeft van de zaak een politieke kwestie gemaakt.”

Maar diezelfde avond nog zond de Iraanse televisie, die nota bene onder leiding staat van een broer van Rafsanjani, niet zijn persconferentie uit. In plaats daarvan werden de kijkers getracteerd op een herhaling van de veel fellere uitspraken van Khamenei, vijf dagen tevoren. Daarin had de Opperste Leider elke verzoening met de vijanden van de Islamitische Revolutie afgewezen. Buitenlandse vijanden en binnenlandse decadentie waren volgens hem de twee belangrijkste vijanden van de islam. “De islam heeft de heilige oorlog tegen de ongelovigen en de hypocrieten uitgevonden als oplossing en verdediging tegen buitenlandse en binnenlandse rampen. Daarom is zelfbeheersing vereist om te strijden tegen de binnenlandse decadentie, die een groter gevaar betekent en door vermoeidheid veroorzaakt kan zijn, alsmede te strijden tegen een onjuist begrip van het juiste pad, waarbij men bezwijkt voor vleselijke lusten en bedrogen wordt door materiële zaken.”

Khamenei zei in zoveel woorden dat Iran het zonder de kennis en de technologie van de vijand kan stellen “omdat de natie voldoende talent en mogelijkheden heeft (..) Onze natie hoeft bij niemand te bedelen of aan iemand beschermgeld te betalen.” Waar Rafsanjani nog op zijn persconferentie met grote omzichtigheid vaagjes had gesteld dat de Islamitische Republiek niet in het Arabisch-Israelische vredesproces gelooft omdat de de Israeliërs onvoldoende zullen geven, verklaarde de Gids: “de Israelische regering is een overweldiger die vernietigd moet worden. In haar plaats moet een Palestijnse regering gevestigd worden.”

Daarna werden de uitspraken van de Gids steeds harder - alsof hij alleen nog maar de woorden van zijn voorganger, imam Khomeiny, wilde herhalen. Zijn voorganger die - toen hij de Rushdie-affaire lanceerde - dezelfde Khamenei publiekelijk als een onwetende had berispt, nadat deze heel behoedzaam had voorgesteld dat er wellicht een mogelijkheid voor Rushdie was om door openlijk berouw de in de fatwa genoemde doodstraf te ontgaan.

Twee weken geleden maakte Mohamad Sarafraz, de door Khamenei aangestelde hoofdredacteur van het blad Resalaat, op een bijeenkomst met een groepje buitenlandse journalisten duidelijk dat de Islamitische Republiek de Westerse opwinding over Rushdie's doodvonnis als een politieke aanval beschouwt. Want, zei hij, “het debat over Rushdie is een zaak voor de moslim-gemeenschap. Iemand heeft de Profeet beledigd, en daarmee alle moslims. De beslissing om dit soort mensen te executeren, is geen persoonlijke zaak. Laat dit probleem aan de moslim-gemeenschap over.”

“Door middel van moord?” werd hem gevraagd. Zijn antwoord: “Voor zover ik weet, heeft de regering niet geprobeerd Rushdie te vermoorden. Het probleem is simpel: òf Rushdie sterft in de door hemzelf geschapen gevangenis, òf er wordt een moslim gevonden die het vonnis wil uitvoeren. Zo hoeft de Iraanse regering niets te ondernemen.”

Hij is het met vele anderen binnen de geestelijkheid en de regering eens dat de Westerse regeringen “te slim zijn om hun bilaterale belangen afhankelijk te maken van één persoon. Eerst braken ze de diplomatieke betrekkingen af, maar nu komen ze toch weer naar ons terug.”

Die analyse wordt door veel Iraniërs gedeeld. Zij zien dan ook het steeds vaker opduiken van de ondergedoken Rushdie, alsmede zijn publieke ontvangst door de Britse onderminister van buitenlandse zaken als een door Amerika geörkestreerde aanval om de Islamitische Revolutie in de tang te nemen.

Of, zoals ayatollah Khamenei een week geleden zei: “De islamitische strijd is als een traditionele militaire slag. Het is precies hetzelfde: het is een confrontatie. Als je ziet dat de vijand in een militaire slag het initiatief probeert te nemen, probeer je daar iets tegen te doen. Als de vijand nieuwe wapens uitvindt of in bezit krijgt, probeer je een wapen daartegen te krijgen. (...) De vijand gebruikt nieuwe methoden tegen de Islamitische Republiek omdat hij ervaring heeft opgedaan (...) Dankzij Gods zegen is er vrijheid in ons land. Wij zullen niet toestaan dat deze vrijheid door hun acties vernietigd wordt.”

Salman Rushdie is door de Islamitische Republiek Iran en door het Westen als aanvals- en verdedigingswapen opnieuw in de strijd gebracht. Daarom zegt men thans in Iran dat Khomeiny's fatwa onsterfelijk is, hoewel de shi'itische traditie - teneinde de leer te vernieuwen en aan de veranderende omstandigheden aan te passen - precies het omgekeerde stelt: dat de fatwa's van een mujataheed met zijn dood eindigen. Maar om de Islamitische Revolutie te redden, is die leer thans afgeschaft.