Dylan-fan: Soms voel je je net een junkie

Bob Dylan geeft vanavond in Utrecht het eerste van drie concerten in Nederland. Dylan is nu 51 en voor verwoede aanhangers nog steeds het grootste genie uit de popgeschiedenis.

“Toch leuk dat Salman Rushdie onlangs in dat essay over zijn leven als onderduiker ook naar Dylan verwijst”, zegt de fan tevreden. “De mensen die hem vervolgen denken ook dat ze dat doen with God on our side, zoals Dylan in de jaren zestig zong. Zo zie je maar: de man heeft nog niets aan actualiteit ingeboet.”

Karst is 51 jaar (even oud als Bob Dylan), leerde Dylans muziek kennen via zijn vrouw en is nu al bijna twintig jaar een volbloed "Dylan-adept'. “Zijn anticonformisme spreekt me aan”, zegt hij, “zijn satirische benadering van de samenleving, maar ook het poëtische karakter van zijn liedjes.” Behalve fan is hij een van de "Bob-cats' of "Dylan-heads' die al jaren alles verzamelen wat er aan (illegale) concertregistraties of oude studio-opnamen van hun held te krijgen is.

Thuis op zolder bewaart Karst - een vrolijke, wat schuchtere verschijning die met bril, baard en krullen een slankere kopie lijkt van de beatdichter Allen Ginsberg - zijn verzameling van banden en cassettes. Dertienhonderd stuks. Dat zijn “ongeveer vijftienhonderd items van Dylan”, peinst hij: studio-opnames, interviews en tegen de duizend concerten. “Daarom ook liever geen achternaam in de krant. Anders gaan mensen maar bellen en ik balanceer in het gezin nu al op de rand van de irritatie.”

Vijftienhonderd keer Bob Dylan, is dat nog te overzien? “O ja, hoor.” Moeiteloos somt hij enkele hoogtepunten op uit de Dylan-toernees in zijn collectie. Wat was bijvoorbeeld zijn beste show in 1978? “Londen, 20/6”, luidt het antwoord, precies zoals plaats en datum van de concerten worden genoteerd op de tapes. En in 1976? “Fort Collins, 23/5, maar daarvan is dan ook een live-elpee getrokken.”

Hij schat dat twintig tot dertig anderen in Nederland een vergelijkbare collectie hebben. Hele "jaargangen Dylan' heeft hij compleet. “Vanaf de tweede helft van de jaren zeventig, denk ik. 1978 is wel vrij goed ingevuld, 1984 is vrij aardig compleet. Eigenlijk begint het pas vanaf 1988 weer te haperen.” Toen verloor Karst, die ruilt en correspondeert met een vijftal verzamelaars in Nederland en één in het buitenland, een belangrijk contact. De arts Jacques van Son, Dylan-verzamelaar van wereldformaat, hield het voor gezien. “Hij kon het niet meer bijsloffen, het werd teveel, met gezin en baan erbij.” Bovendien begon Dylan dat jaar met zijn "Never Ending Tour', die al ruim vierhonderd concerten heeft opgeleverd - en de verzamelaars handenvol werk.

De verzamelaar, die een volledige baan heeft in de autobranche, luistert per week gemiddeld maar een uur of twee naar zijn Dylan-shows. Een uur of vijf is hij kwijt aan administratie, het verwerken van nieuw binnengekomen tapes en het kopiëren van opnamen voor zijn ruilcontacten. “Ik ben geen verdwaasde fanaat of zo, hoor, ik verzamel verder niks en ik koop ook best andere muziek dan Dylan. Maar soms voel je je toch een junkie, je wilt iets hebben. En het bederft je omgeving, telkens maar naar zolder rennen om de tape om te draaien. Ik denk er elk jaar wel even over om ermee te stoppen, maar ja, dat zal je altijd zien, dan duikt er net weer iets leuks op. Een bijzonder concert, een oude studio-opname.”

Sinds 1981 heeft hij ruim twintig Dylan-shows bijgewoond, een heel andere evaring dan het luisteren naar zijn tapes. “Die kun je in alle rust op je zolderkamer beluisteren, bij een concert wordt het plezier nogal eens vergald door de lange reis, lawaaiig publiek.” En natuurlijk door de spanning dat hij wordt betrapt, want als hij naar een concert gaat heeft Karst wel eens ergens een minuscuul opname-apparaatje verborgen (“Ik zeg niet waar, dat brengt de beveiliging maar op ideeën”). “Het vervelende is dat je dan nauwelijks nog van de muziek geniet, je bent maar in de weer met die wijzertjes en batterijtje en je moet de cassette omdraaien en de pauzeknop controleren.”

Eén keer is hij gepakt toen “een kerel van de beveiliging me in de gaten kreeg en in mijn rugzakje begon te grabbelen. Gelukkig had ik de recorder ergens anders. Maar dan voel je je wel weer even een kleine jongen”, aldus de 51-jarige. Zijn vrouw gelooft het inmiddels wel. “Ze is in 1984 nog een keer meegeweest naar een concert, maar sindsdien hoeft ze niet mee zo nodig.”

Vanavond in Utrecht is Karst niet van de partij. “Dat krijg ik nog wel op tape.” Dylans shows krijgen al jaren vernietigende kritieken: hij kan niet meer zingen en maakt er muzikaal vaak een rommel van. Waarom dat allemaal nog verzamelen? “Nou, vaak valt het achteraf nog wel mee. Utrecht 1991 bijvoorbeeld staat te boek als een verschrikkelijk slechte show, maar als je de tape hoort gaat het nog best. Kennelijk registreert de apparatuur toch meer dan het oor, of het corrigeert veel. Bovendien, de schijn bedriegt wel vaker bij Dylan. Hij komt wat langzaam op gang en hij loopt er wat verward bij - maar daar moet je doorheen kijken.” Toch, erkent Karst, is Dylan niet meer de oude. “Je verwachtingspatroon wordt wel op de proef gesteld, ja.”

Dan, hoopvol: “Maar er is altijd wel één song die eruit springt en waarvan je zegt: dat maakt toch weer veel van het verdriet goed.”