Techniek in Nederland: wapen met een kromme loop

In de economische concurrentiestrijd tussen naties geldt de mens, als vakman en creatieve genius, als geheim wapen. De industrie is de bedrijfstak bij uitstek die nieuwe kennis en technologie ontwikkelt. Nederland verwaarloost dit. Laatste deel in een serie over de vergeten industrie.

Niet alle edelstenen fonkelen. Het gebouw op het industrieterrein van Nuenen is pretentieloos, zakelijk. Niets wijst erop dat hier, tussen bakstenen muren en op ouderwetse linoleumvloeren, dagelijks een van de belangrijkste concurrentievoordelen van Nederland wordt uitgebuit.

Een vitrine in de receptie illustreert het werkterrein van het Centrum voor Constructie en Mechatronica (CCM), een particuliere ontwikkelingsmaatschappij die technische oplossingen bedenkt voor industriële problemen. Een nieuwe radiatorslang, een slimmere snoepjesinpakmachine, een kleinere cd-rom-drive, containers voor biologische experimenten in de ruimte, een vitaal besturingsonderdeel voor de produktie van microprocessors: de trofeeën van moderne uitvinders.

Onder het dak van CCM komen kennis en markt bij elkaar met als resultaat nieuwe produkten en nieuwe produktieprocessen. Creativiteit vervat in staal, kunststof en elektronica. Techniek direct omgezet in geld.

Het belangrijkste bedrijfskapitaal en de belangrijkste grondstof van CCM zijn de zestig werknemers. Het bedrijf dankt zijn bestaan aan het commerciële lef van een bekende uitvinder, wijlen Alexandre Horowitz. Onder vakgenoten maakte Horowitz naam door 136 octrooien te verwerven, bij het grote publiek staat hij bekend als de uitvinder van de Philishave. Royale werkgevers als Philips en de Technische Universiteit Eindhoven weerhielden Horowitz er in 1969 niet van om voor zichzelf te beginnen.

CCM bestaat bij de gratie van de belangrijkste grondstof die een Westers land aan het einde van de twintigste eeuw bezit: menselijk vernuft. In de economische concurrentiestrijd tussen naties geldt de mens als het geheime wapen: vakman en creatieve genius. In Nederland heeft dat wapen een kromme loop.

Vroeger was een land rijk als het beschikte over minerale hulpbronnen of over een geografische ligging die een soepele aanvoer van grondstoffen mogelijk maakte. Tegenwoordig zijn grondstoffen in de concurrentiestrijd tussen landen nauwelijks nog van belang. Japan heeft 's werelds beste staalindustrie, ondanks een gebrek aan kolen en staal. Grondstoffenrijkdom is geen garantie meer voor welvaart. Rusland, Zuid-Afrika, Indonesië en Chili zijn gezegend met ertsen, maar behoren niet tot de exclusieve club van rijke naties. Economische wonderen voltrekken zich juist in grondstofarme landen: Singapore, Zuid-Korea, Taiwan.

In de economische strijd tussen landen hebben kennis en techniek de plaats ingenomen van de natuurlijke hulpbronnen. Kennis vormt een steeds belangrijker factor in de toename van de welvaart. Volgens het ministerie van economische zaken zijn kennis en technologie verantwoordelijk voor maar liefst de helft van de economische groei. Mede daarin schuilt het belang van een gezonde industrie. Industrie is de bedrijfstak bij uitstek die uit winstbejag nieuwe kennis en nieuwe technologie ontwikkelt.

Natuurlijke hulpbronnen zijn niet alleen van hun troon gestoten, ze gelden tegenwoordig zelfs als een vloek. Minerale rijkdom maakt lui en passief. Wie olie kan exporteren, bekommert zich niet om de export van industrieprodukten. De noodzaak daartoe ontbreekt. Noorwegen kent bij voorbeeld geen industrie van betekenis. De in Nederland zo bejubelde aardgasbel van Slochteren geldt ook niet meer uitsluitend als een grote meevaller voor de nationale economie. Tegenwoordig worden ook de nadelen van de plotselinge aardgasrijkdom onderkend.

De ontdekking van aardgas betekende een enorme windfall-profit voor de Nederlandse economie, zegt prof.dr. J.J. van Duijn van de Robeco Groep. Dank zij aardgas hoefde Nederland in de internationale concurrentiestrijd niet langer op het scherpst van de snede te opereren. Van Duijn vergelijkt de Nederlandse economie met een reusachtige, rijke onderneming die actief is op een grote markt en daar nauwelijks wordt gehinderd door concurrentie. Het bedrijf dommelt in, de heilzame pressie van de markt houdt haar niet op het puntje van de stoel. In hun riante positie verliezen land en onderneming hun fighting spirit, hun willingness to grow.

Pag.18: Nederland blijft ver achter met investering in menselijk kapitaal

Nederland heeft zijn onverwachte aardgasrijkdom niet aangewend om de slagvaardigheid van de economie te verbeteren. De aardgasbaten zijn gebruikt om de sociale zekerheid mede te financieren. Ze zijn geconsumeerd, niet geïnvesteerd. De Welvaart van Slochteren leidde tot de Slaap van Slochteren.

Maar de aardgasvoorraden zijn eindig. Vroeg of laat moet Nederland zonder dat steuntje in de rug verder. Dan moeten kennis en technologie de welvaart op peil houden. De uitgangspositie van Nederland is dan niet onverdeeld gunstig.

De concurrentiekracht van een land op een gebied zo breed als wetenschap en technologie laat zich niet vangen in een enkel helder getal, in een eenduidige cijferreeks. De beschikbaarheid van goed geschoolde MTS'ers is net zo goed van belang als hoogstaand wetenschappelijk onderzoek. De universiteiten dragen hun steentje bij, evenals de onderzoekslaboratoria van bedrijven. De ontwikkeling van nieuwe produkten is van belang, evengoed als de ontwikkeling van nieuwe produktieprocessen. Nieuwe kennis moet worden "gemaakt', maar ze moet ook worden verspreid en op een breed terrein worden toegepast.

In 1991 verscheen TWIN, een kekke naam voor een treurig verslag. In TWIN, Technologie en Wetenschapsindicatoren, wordt het kennispotentieel van Nederland in kleine delen uiteengelegd. De indicatoren wijzen vrijwel allemaal in de verkeerde richting.

Het Nederlandse onderwijs blijkt bij voorbeeld nauwelijks aan te sluiten bij de behoeften van de Nederlandse industrie. Over tien à vijftien jaar kent Nederland een schrijnend tekort aan wetenschappers in de exacte vakken. Een studie schat het tekort zelfs op 12.000 onderzoekers. De grootste ramp zal zich voordoen bij wis- en natuurkunde. Daarnaast wordt gevreesd voor een toenemend tekort aan LTS'ers, MTS'ers en HTS'ers. De onderzoeksafdeling van Unilever in Vlaardingen had vorig jaar al de grootste moeite om voldoende biochemici te vinden.

Nederlandse universiteiten leiden veel meer mensen op in de talen en de sociale wetenschappen dan gemiddeld in Europa. Volgens Van Duijn is dat een typisch welvaartsverschijnsel: als de welvaart stijgt, stijgt het aantal talenexperts en juristen. Het is niet voor niets dat de Verenigde Staten veel juristen kennen. De beroepskeuze wordt gemaakt op grond van luxe-overwegingen: wat is leuk? Veel minder aandacht is er voor de vraag: wat is nuttig en noodzakelijk?

Inmiddels proberen de ministeries van economische zaken en onderwijs en wetenschappen de balans in evenwicht te brengen. Maar dat gaat uiterst traag: minister Ritzen probeert jaarlijks drie procent van het geld dat wordt besteed aan alpha- en gamma-opleidingen over te hevelen naar de exacte vakken. Publieksvoorlichting over techniek - Kies Exact - sorteerde nauwelijks effect. Nederland leidt niet alleen te weinig mensen op in de exacte vakken. Over de kwaliteit en de oriëntatie van die opleidingen zijn de afnemers, de bedrijven, niet te spreken. Het hoogste adviescollege van de regering voor wetenschap en technologie liet zich onlangs in weinig vlijende bewoordingen uit over de kwaliteit van Nederlandse ingenieurs. Ze zijn niet breed genoeg georiënteerd en missen basisvaardigheden als ontwerpen, constateerde de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT).

CCM-directeur ir. J. Kummeling kent de problemen uit de praktijk: “Ingenieurs zijn vaak niet in staat om een vraagstuk aan te pakken. Ze kunnen wel met moderne hulpmiddelen overweg, maar hebben moeite met creatieve ontwerpen.” Ze hebben te weinig ervaring “aan de plank", zoals het tekenbord in Nuenen wordt genoemd.

De publikaties van academici zijn van hoog niveau, maar de kennis wordt niet omgezet in praktische toepassingen: het aantal Nederlandse octrooiaanvragen is vergeleken met het EG-gemiddelde laag. Het Centraal Planbureau kwam bovendien tot de ontdekking dat academici in de bèta-vakken zich buigen over vraagstukken waarmee de Nederlandse industrie niet bezig is, en dat ze kennis vergaren over onderwerpen die voor Nederlandse bedrijven niet relevant zijn. Nederlandse onderzoekers maken furore in geneeskunde en biologie, maar produceren veel minder in techniek, natuurkunde, elektrotechniek en chemie. De universiteiten zijn gespecialiseerd in fundamenteel onderzoek en kiezen binnen dat onderzoek vaak de meest abstracte en minst marktgerichte onderwerpen.

Het gebrek aan voldoende en goed opgeleide arbeidskrachten op terreinen die voor de industrie relevant zijn, is niet uitsluitend te wijten aan overheid en universiteiten. Het bedrijfsleven zelf doet onvoldoende om de oneffenheden in het aanbod te herstellen. De kosten die Nederlandse bedrijven maken om werknemers om en bij te scholen liggen onder het Europese gemiddelde.

De industrie heeft in de rijke jaren '80 te weinig geïnvesteerd in menselijk kapitaal, constateert prof.dr. A. Roobeek van de Universiteit van Amsterdam. De industrie springt vooral onzorgvuldig om met de laagst geschoolde arbeidskrachten. Een kortzichtige strategie, omdat de druk op bedrijven om nieuwe vondsten in hun produktieproces op te nemen snel toeneemt.

Academici en technici vormen de grondstof voor de "kennisindustrie'. De uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling gelden als belangrijkste graadmeter voor de technologische positie van een land.

Uit een vergelijking van zeven industrielanden blijkt dat de investeringen in onderzoek en ontwikkeling de afgelopen vijf jaar nergens zo sterk afnamen als in Nederland. Sinds 1987 daalden de investeringen van 1,4 procent van het bruto binnenlands produkt (BBP) tot 1,1 procent in 1991. Koploper Japan besteedt jaarlijks 2,2 procent van zijn BBP aan ontwikkeling van nieuwe produkten en produktieprocessen.

Japanse, Franse en Amerikaanse bedrijven, besteedden de afgelopen jaren steeds meer aan onderzoek en ontwikkeling. De scherpe Nederlandse daling is gedeeltelijk te wijten aan de bezuinigingen bij Philips, het belangrijkste commerciële onderzoekscentrum in Nederland. Deze kunnen de neergang evenwel niet geheel verklaren.

Uit recent onderzoek naar de investeringen per bedrijfstak, verricht door de universiteit van Maastricht, blijkt dat slechts een fractie van de Nederlandse industrie zich aan het Europese gemiddelde kan spiegelen. Een overzicht van de geschatte uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling laat zien dat alleen de oliebranche, de instrumentenmakers en de basismetaal gemiddeld iets meer investeren in hun toekomst dan hun Europese concurrenten. Belangrijke industrieën als de farmacie en de voedingsmiddelenbranche zitten op de Europese norm, het leeuwedeel blijft ver achter.

Nederland doet het redelijk als het gaat om de toepassing van techniek: met uitzondering van robots en informatietechnologie lijkt Nederland in de maat te lopen met de rest van Europa. Uit de versnipperde en vaak moeilijk te interpreteren onderzoeken naar de technologische basis van Nederland onstaat een onthullend beeld: “De technologische positie van Nederland is over de gehele linie ongunstig”, vat een topambtenaar van EZ de conditie van 's lands geheime wapen samen. Nederland dreigt de internationale concurrentieslag om commercieel onderzoek te verliezen, constateerden de onderzoekers uit Maastricht.

Voor de Nederlandse kennisindustrie staat het licht op oranje: Nederland kan haar verkwanselen, maar het heeft ook nog de mogelijkheid het licht op groen te zetten en het concurrentievoordeel uit te bouwen. Omdat de trend neerwaarts is, zal dat geen eenvoudige taak zijn.

In de open Nederlandse economie zijn niet veel produktiefactoren direct door de overheid te sturen, behalve juist deze. Overheidsbemoeienis met kennis en technologie heeft een niet onaangename bijkomstigheid: het is een vorm van industriebeleid waarbij de gebruikelijke risico's kunnen worden vermeden. Stimulering is niet gebonden aan een onderneming, maar kan een hele branche - bestaande uit binnen- en buitenlandse ondernemingen - ten goede komen. Bovendien lopen de investeringen dan via de inwoners en verdwijnen ze niet in een moeilijk te controleren bedrijfskas.

Daarmee is niet gezegd dat stimulering van kennis en technologie geen nadelen kent. Bij directe subsidies voor onderzoek dat is gericht op eindprodukten bestaat het risico van concurrentievervalsing. En ook valt niet altijd te ontkomen aan pijnlijke en verkeerde keuzes, zoals het HDTV-project van Philips dreigt te illustreren.

In de afgelopen decennia hebben veel ondernemingen hun onderzoeksafdeling losgekoppeld van de produktievestigingen. Voor Nederland betekende dat meestal dat de afdelingen met grote werkgelegenheid - de fabrieken - het land verlieten. Sinsdien hebben laboratoria geen "natuurlijke' vestigingsplaats meer. De enige reden om een onderzoeksafdeling ergens te laten staan - of te verhuizen - is de beschikbaarheid van mensen en kennis. Als het aanbod van die grondstof in het buitenland beter wordt, zullen ook de laboratoria over de grens verdwijnen en buitenlandse concerns hun onderzoekers elders huisvesten. Met te weinig en verkeerd opgeleidde mensen kan die concurrentieslag in ieder geval niet worden gewonnen. Intussen lijden de bestaande onderzoeksinstellingen onder de huidige malaise bij de opdrachtgevers, de industriële ondernemingen die nog wel in Nederland produceren. De commerciële laboratoria mogen dan geen "natuurlijke' thuishaven meer hebben, onafhankelijke onderzoeksinstellingen zijn op z'n minst gedeeltelijk afhankelijk van industriële opdrachtgevers in hun omgeving.

Aan de orderportefeuille van CCM in Nuenen is dat duidelijk te zien. Een steeds groter deel van de opdrachten komt van overheid en semi-overheidsinstellingen. CCM leunt bovendien in toenemende mate op de in Nederland nog goed vertegenwoordigde voedingsmiddelenindustrie. De nieuwe dochteronderneming AutoMeat brengt onder andere slachtrobots voor varkens aan de man. Opdrachten uit de regio Brabant - ooit de Gouden Driehoek van de Nederlandse industrie - worden schaars. Philips laat tegenwoordig helemaal verstek gaan. Met lede ogen volgt CCM de malaise bij NedCar en DAF. “De problemen in de regio zijn gruwelijk”, zegt Kummeling. De malaise in de industrie krijgt vroeg of laat zijn weerslag op de ontwikkelingsactiviteiten. Kummeling: “Het gaat uiteindelijk een keer fout.”

Foto's: Een staaltje Nederlands technisch vernuft waarvoor wèl grote interesse van het bedrijfsleven bestaat. Het Rotterdamse Crown Gear ontwikkelde begin jaren negentig een methode om op grote schaal kroonwielen met vlakke vertanding te produceren voor aandrijving van cilindrische rondsels. De aldus verkregen haakse overbrenging biedt belangrijke technische voordelen en kan leiden tot simpeler constructies die minder ruimte in beslag nemen. (Foto: Fotodienst NRC Handelsblad)

Alexandre Horowitz, een witte raaf in Nederland. Met 136 octrooien op zijn naam wist hij als weinig anderen menselijk vernuft en commerciële lef te combineren. (Foto NRC Handelsblad/Freddy Rikken)