Sport is mede een spiegel van maatschappelijke ontwikkelingen

Als enthousiast hockeyer voelt premier Lubbers zich niet alleen ambtshalve betrokken bij wat er in de sportwereld omgaat. Toen hij in september bij ontvangstneming van het rapport "Sport als bron van inspiratie voor onze samenleving' echter opmerkte dat het met de sport zo goed gaat omdat de overheid zich niet ermee bemoeit, ontstond de indruk dat hij de maatschappelijke betekenis van sport onderschat. Om die indruk weg te nemen schreef hij op persoonlijke titel deze bijdrage.

Hoe belangrijk is sport eigenlijk in onze maatschappij? Ik ben niet helemaal een vreemde in die wereld en ik ben tot de conclusie gekomen dat zelfs de sporter niet weet hoe groot dat maatschappelijk belang wel is. Wij denken vaak in termen van vrijetijdsbesteding voor velen of een duur betaalde carrière van een enkele topsporter. Maar waar wij wellicht te veel aan voorbijzien is dat sport mensen bijeenbrengt in allerlei facetten van met elkaar omgaan, regels in acht nemen, organisatie, leiding geven, kennismaking met anderen in kleurrijk Nederland.

Tegelijkertijd is sport ook een spiegel van maatschappelijke ontwikkelingen, zoals individualisering: meer mensen kiezen een individuele sportbeoefening ten koste van de teamsport. Of: het tot het uiterste gaan, tot de grens van het toegestane en soms eroverheen. U kunt het een heel enkele keer op de velden zien, iets vaker eromheen. Het mee-beleven, het mee spanning beleven aan sport kan soms leiden tot agressie. Die agressie en soms discriminatie ontstaat dan juist in de groep. Dat is als het ware de keerzijde van het positieve in de sport. Ik generaliseer nu - het is heus niet overal zo. Maar toch moeten we daar heel alert op blijven zoals we onlangs weer konden constateren bij de voetbalwedstrijd Ajax-FC Utrecht.

Maar bij de sport ziet u ook de reactie - bijvoorbeeld in de Nederlandse, de Duitse en de Italiaanse voetbalcompetities - op die verfoeilijke discriminatie. De Koninklijke Nederlandse Voetbalbond en de Nederlandse Sportfederatie hebben een rapport opgesteld Bestrijding discriminatie in voetbalstadions, dat aan de orde is geweest op een door Tweede-Kamerleden georganiseerde conferentie op 29 januari.

Het besef van de grote maatschappelijke betekenis van sport is nog in ontwikkeling. In de sportvereniging worden normen en waarden overgedragen. Een jongen of meisje van zestien neemt verantwoordelijkheid voor de begeleiding van de jeugdteams, vrijwilligers besturen soms complexe verenigingen waarin grote sommen gelds omgaan. Het draagt bij aan "cementvorming' in onze maatschappij.

Grofweg de helft van onze bevolking doet eens per week aan sport, ruim vier miljoen mensen doen dat in verenigingsverband, mogelijk gemaakt door zo'n 700.000 vrijwilligers. Het rapport van het Nederland Olympisch Comité en de Nederlandse Sportfederatie geeft daar interessante cijfers over. Er blijkt bijvoorbeeld uit dat sport een economische niet onbelangrijke bedrijfstak is. Er ging in 1990 ƒ 8,4 miljard gulden in om, voor driekwart bestaande uit directe bestedingen van consumenten: kleding, materiaal, sportieve vakanties, enzovoorts. Het NOC/ NSF-rapport schat dat er 66.000 arbeidsplaatsen met sport en aan sport gerelateerde activiteiten zijn gemoeid! Daarnaast zijn er de belangen die met televisie-rechten voor voetbal en Olympische en voetbalkampioenschappen worden betaald en de nog steeds toenemende sponsoring door het bedrijfsleven - al zo'n ƒ 350 à 400 miljoen gulden per jaar.

Bij de topsport doet zich nog een uit economisch oogpunt belangrijk verschijnsel voor. Toen Anton Geesink in Japan Olympisch kampioen judo werd, had dat een geweldige uitstraling, met name in datzelfde judo-gekke Japan. En van dat visitekaartje heeft ons bedrijfsleven driftig gebruik gemaakt bij missies naar Japan. De namen Cruijff, Gullit en Van Basten zijn in de hele wereld bekende visitekaartjes van Nederland. Hans Wiegel heeft in een interview met de Telegraaf gezegd dat de gouden plak van Ellen van Langen gelijk staat aan een promotiecampagne van ongeveer een miljoen gulden. Ik laat die veronderstelling voor zijn rekening, maar dat dergelijke successen een enorme uitstraling hebben, staat wel vast.

Sport heeft in onze samenleving een integrerende functie. Er is geen vertegenwoordigend lichaam in Nederland waarin de kleurenrijkdom al zo vanzelfsprekend is als in het Nederlands voetbalelftal. Ook in andere sporten zie je die deelname, Tuur en Delibas bij het boksen, Nelli Cooman bij atletiek. Overigens valt er ook hier nog genoeg te verbeteren - zowel qua uitbreiding naar andere sporttakken als bijvoorbeeld met betrekking tot het uitbannen van uitingen van racisme bij voetbalwedstrijden.

Vandaag de dag spreken wij over het Europa zonder grenzen. Tegelijk benadrukken wij het belang van eigen identiteit. Die identiteit, dat wij-gevoel leeft sterk bij grote sportevenementen en dat is prima.

Vaak wordt gekeken naar wat de overheid kan doen of zou moeten doen. Dat vertaalt men dan in bedragen op de rijksbegroting en op die van andere overheden. Voorop wil ik stellen dat de bedragen op de WVC-begroting, zeker sinds de start van dit kabinet ondanks Tussenbalans et cetera constant zijn gebleven. De vraag is vervolgens of dat bedrag groter moet zijn. Ik hoor wel eens suggesties van een verdubbeling.

Ik heb daar forse aarzelingen bij. Niet alleen wegens financiële krapte, hoewel dat ook een zeer zwaarwegende factor is want elke gulden voor een nieuw doel moet ergens anders vanaf - bijvoorbeeld van de opvang van emigranten of van bejaardenoorden. We moeten eerst bekijken wat de sector zèlf kan en zoals bekend gaat er nogal wat om in de sport. Daarnaast kan de overheid voorwaarden scheppen, zoals bijvoorbeeld met het fonds van de topsport - een topsporter in spé moet ook financieel uit de voeten kunnen.

Minister d'Ancona heeft zelf het idee van dit fonds in haar Memorie van Toelichting opgenomen en op aandrang van de Tweede Kamer stort zij daar nu jaarlijks ƒ 5 miljoen gulden in. Omdat het de bedoeling is met de rente van dat geld sporters financieel te begeleiden zal het fonds veel groter moeten worden. WVC werkt daaraan, enerzijds met zeer beperkte begrotingsmiddelen, anderzijds door ook voeding met Lotto/Toto-gelden en krasloterij te bewerkstelligen en nog andere bronnen erbij te betrekken. Als dat allemaal lukt, is dan die overheid de aangewezene om criteria aan te leggen om te bepalen welke sporter wel of niet in aanmerking komt? Nee, dat is de taak van de sector zelf, in eerste aanleg van het Nederlands Olympisch Comité.

We moeten dus niet automatisch zeggen: Regering, doe er wat aan. Het moet beginnen in de sportwereld zelf - bij het besef van individuen, clubs en de gemeenschap, dat sport een maatschappelijke verantwoordelijkheid is en grote maatschappelijke betekenis heeft. Zo hebben de makers van het rapport het ook bedoeld - hun rapport is een oproep aan allen die èn de sport èn onze maatschappij een warm hart toedragen - een oproep aan sportbeoefenaars, sportbestuurders, ondernemers, overheid, in principe alle Nederlanders.

Er is, in aansluiting op het verschijnen van het rapport, de Initiatiefgroep Sport en samenleving opgericht met leden als Huibregtsen (NOC), Kastermans (NSF), Peper (VNG), Stekelenburg (FNV), Rinnooy Kan (VNO) en De Jong (NOS) onder voorzitterschap van de minister voor sportzaken, mevrouw d'Ancona. Ik weet dat men bezig is met een ambitieus jaarplan, dat onder meer voorziet in een symposium in mei over Sport en gezondheid en later in het jaar een forumdiscussie over sport en integratie van allochtonen. Op het terrein van het onderwijs bieden zes scholen een voor sporters aangepast lesrooster aan en een bekend uitzendbureau heeft recentelijk een sponsorcontract met het NOC afgesloten voor vier jaar om topsporters in staat te stellen een opleiding te volgen. Ideeën worden geopperd en geconcretiseerd. Het onderwerp wordt een permanent onderdeel van de agenda, ook van de mijne.

Topsport als maatschappelijk fenomeen. Ik wilde daar met deze bijdrage nog eens de aandacht voor vragen, omdat sport voor mij meer is dan alleen een onderdeel van het departement van WVC.