Röling

P. van de Loo schrijft (brievenrubriek, NRC Handelsblad van 11 februari) dat het mij “natuurlijk goed van pas komt dat het door Röling opgerichte instituut wordt opgeheven”. Zolang hij deze bewering niet kan staven, is zij een insinuatie.

Dat Röling “voor menigeen (...) op zijn minst een eminent en waardig vertolker van de grote verontrusting over (...) de wapenwedloop” was, is onbetwistbaar, maar toont op zichzelf de wetenschappelijke waarde van zijn polemologisch werk niet aan. Ten slotte is het mogelijk dat Röling “zich over de mogelijke rol van "de kunstenaar' aanmerkelijk evenwichtiger en genuanceerder uitgelaten” heeft dan hij gedaan heeft in het boek uit 1963 dat ik in mijn artikel van 5 februari als bron noemde, maar daarmee is de suggestie dat ik die bron verkeerd gebruikte, nog niet juist.