Protestantisme moet ruimte geven aan verbeelding; De dwaasheid van de christenen moet op haar redelijkheid worden doorgelicht

Jaffe Vink, eindredacteur van de bijlage "Letter en Geest' van het dagblad Trouw, verwijt in zijn reactie op in de media genoemde karakteristieken van zijn krant "onze agnostenclub, dat wil zeggen "de spraakmakende gemeente' dat zij meent dat de kunst opvolger kan zijn van de godsdienst. Hij vindt dat de kwestie van kunst en godsdienst zich het sterkst aandient bij het afscheid van het leven en de begrafenisrituelen (NRC Handelsblad 2 februari). De kwestie van geloof en kunst, of van theologie en esthetica verdient evenwel een genuanceerdere benadering dan Vink geeft. Want niet alleen is er, zoals J.L. Heldring terecht opmerkt, een "hooghartige onverschilligheid van de toonaangevende elites in Nederland' jegens christenheid, kerk en theologie, helaas geldt ook het omgekeerde en menen christenen de cultuur te kunnen afdoen als "agnostenclub'.

In zijn befaamde De Kathedralenbouwers laat George Duby zien, dat in een groot deel van de middeleeuwen theologie direct werd vertaald in kunst. De Romaanse bouw- en beeldhouwkunst legt getuigenis af van een tijdperk dat wordt beheerst door angst en dat dientengevolge alle nadruk legt op een verborgen God die de vreselijke Rechter is van deze wereld en haar bewoners. De wereld en de kosmos vormen een onbegrepen universum waarin de mens onbegrepen tekenen krijgt van kometen, rampen en oorlogen. De Christusvoorstellingen die de artisticiteit in dat tijdperk voortbrengt, hebben nauwelijks iets menselijks. De zetelende Christus wordt omringd door een schare van mythologische en onbegrepen beesten en oudsten waarvan het laatste bijbelboek, de Openbaring van Johannes gewag maakt. Op het kruis gespijkerd hangt een figuur die aan alle lijden ontheven is en die de triomf heeft behaald.

Dat verandert onder invloed van verbetering van de landbouw en een stijging van de welvaart. Men zoekt een vreedzamer samengaan van God en de schepping. De verheven Christus wordt nu een mens, het geïncarneerde woord van God. De incarnatietheologie wordt verbeeld in een Christusgestalte die duidelijk menselijke trekken heeft en die omringd wordt niet zozeer door zijn hemelse hofhouding, maar door zijn discipelen. Het getuigenis over Jezus zoals de eerste drie evangeliën dat geven, levert het verhaal voor de voorstellingen. Een man die rondgaat door Palestina. In deze periode maakt de gotiek opgang, die niets anders is dan een verbeelde theologie rondom het thema "God is licht'. De schepping is niet meer prijsgegeven aan de duisternis, maar draagt in haar geheel de sporen van dit Licht (en dus van de Schepper). Het is de verheven gotische bouwkunst die de verhevenheid van dit bovenaardse Licht voor aardse ogen zichtbaar maakt.

De Franse psycho-analytica Julia Kristeva heeft gewezen op een laatste grote omslag in de middeleeuwse theologie die directe implicaties had voor de kunst. De franciscaan Bonaventura borduurt voort op het thema "God is licht'. Dit licht straalt (via een systeem dat is bepaald door het neoplatonisme) uit op de aarde en is in de hele schepping in meer of mindere mate te vinden. Het nieuwe van Bonaventura is dat hij dit licht benoemt als vorm. God is als Licht pure vorm. Dit is in gebroken gestalte zichtbaar op de aarde. Het licht in zijn gebroken gestalte is het kleurenspectrum, de kleur. Wat God en deze wereld gemeen hebben is de vorm van het licht, de kleur, die verwijst naar het ongebroken en heldere (onzienlijke) Licht God. Om het ingewikkeld te zeggen: de esthetische idee is een direct uitvloeisel van de intellectuele idee God.

Deze theologie heeft zijn pendant in de kunst van Giotto, de eerste die de kleuren vrij toepast. Duby noemt hem terecht de eerste grote schilder. Maar daarmee komt ook de menselijke psyche binnen in de theologie. De wereld van de driften begint het theologische bouwwerk van binnenuit te slopen. Kristeva beweert dat bij Giotto de beweging inzet die de kleur over de voorstelling laat heersen en die eindigt bij de eerste abstracte, niet-figuratieve kunst. Het bijbelverhaal dat hij verbeeldt, begint op te lossen in de kleur.

Waar het nu om gaat is, dat de middeleeuwse theologie en esthetica dus in elkaar overlopen en niet van elkaar zijn te onderscheiden. Het maakt in principe geen verschil of men de middeleeuwse theologie bestudeert aan de hand van de kunstwerken of aan de hand van de geschriften uit die tijd. In de veertiende eeuw werpt de renaissance haar licht vooruit en seculariseert de kunst. Al in de middeleeuwen zelf klinken protesten tegen de abundante rijkdom van kunstvormen in de kerken. De soberheid van de Cisterciënzerkloosters, de eenvoudige "preekschuren' die de kerken van de dominicanen en franciscanen waren en de armoedebeweging rondom mensen als Franciscus, zijn te zien als reacties. Niettemin werd het franciscaanse Assisi het domein waar Giotto zich zou doen gelden.

De reformatorische theologie van Calvijn geeft de doodklap aan de kunsten. In zijn "Institutie' verzet de reformator zich hevig tegen beelden in de kerk omdat hij vreest dat ze niet anders zijn dan 's mensen eigen ik dat via zijn artistieke vermogens een verbeelding zoekt in de beeldende kunst (beeldverering wordt dan zelfverering en is dus verwerpelijk) en dat de representatie van God in de kunstwerken gemakkelijk kan worden aangezien voor zijn presentie. God wordt "gekluisterd aan de plaats waar Hij is afgebeeld'.

Deze opmerkingen hebben de geschiedenis van kunst en theologie voor het protestantisme, of in ieder geval voor het calvinisme, verder bepaald. De kerken werden de lege, kale ruimtes die Milan Kundera vergeleek met een gymnastiekzaal, een hangar en een leeggeveegde koeiestal, en waarin hij de fascinatie van de leegte ervoer. God wordt onbereikbaar en voorgoed onvoorstelbaar. Zijn verhouding tot de wereld is slechts kenbaar voor het binnenste van de mens, voor het in-dividu (het ondeelbare): de oneindigheid ontmoet de oneindigheid. De verbeelding die aan de beeldende kunsten ten grondslag ligt, wordt onderdrukt. Jaffe Vink wortelt ferm in die traditie als hij zegt dat "onze agnostenclub' kennelijk denkt dat de kunst de opvolger van God is.

Het protestantisme heeft het er niet geheel bij laten zitten. In de tweede helft van de vorige eeuw was Allard Pierson één van de leidende geesten in de Nederlandse cultuur. Afkomstig uit de kringen van het Réveil, een orthodoxe opwekkingsbeweging, waartoe mensen als Otto G. Heldring en Isaäc da Costa behoorden, bekeerde hij zich als theologiestudent te Utrecht tot de zogenaamde "moderne richting'. Deze stroming in kerk en theologie wilde de ontdekkingen van de moderne (natuur)wetenschappen voluit laten gelden in de theologie. Deze theologie neemt het inzicht van Immanuel Kant dat Gods bestaan voor het verstand niet te bewijzen is (evenmin als zijn niet-bestaan overigens), serieus, ook al las men Kant zelf nauwelijks.

Kant verdreef God uit het gebied van het verstand. God is een idee, die alleen in begrippen te denken is, maar waarbij niets is voor te stellen. Nu zit de mens zo in elkaar, dat hij dat toch doet. Hij fraudeert, en zoekt een beeld, een verbeelding van wat niet te verbeelden is. Dit beeld is een analogie, ontsproten aan de menselijke fantasie. Iedere uitspraak over God, iedere verbeelding van God valt onder deze categorie. Daarbij staat het de gelovige natuurlijk vrij om deze uitspraak voor "waar' te houden. Met andere woorden: tussen geloof en denken zit een breuk. Geloof komt in de hoek van de esthetica te staan. In die zin zou de hele christenheid zich agnost moeten noemen.

Pierson zag in, dat het laatste geheim van deze wereld en van de mensen niet door de natuurwetenschappen kan worden ontraadseld. Er is een ongrijpbaar en vaag geheim of ideaal dat alleen door de kunstenaar kan worden verbeeld. Dit geheim benoemt hij als de echo van de onkenbare God. De ontdekking van de empirische werkelijkheid leidde in de twaalfde en dertiende eeuw tot het ontstaan van de stralende gotiek. In de negentiende eeuw voert het Pierson tot de weemoed. God is vervaagd, niet meer de God van het oude en nieuwe testament. Maar er blijft een geheim spreken, een stem in het menselijke binnenste die herinnert aan de oude God die zijn tijd heeft gehad. Van die weemoedige stem getuigt de kunst. De kunst komt in de plaats van de verdwenen godsdienst. Agnosticisme en estheticisme correleren.

Piersons biografie stemt overeen met zijn denken. Hij was in 1854 predikant geworden, maar legt zijn ambt neer in 1865, twee jaar na Busken Huet. In 1877 wordt hij de eerste hoogleraar kunstgeschiedenis in dit land, aan de net opgerichte Amsterdamse universiteit. De stem van Pierson is in de protestantse kerk en theologie nauwelijks gehoord. Evenmin als die van Kant.

G. van der Leeuw (theoloog, minister van cultuur, hoogleraar in Groningen) heeft in deze eeuw de handschoen opgenomen met een grootse fenomenologische benadering van theologie en kunst. Maar ook hij is zo goed als vergeten; zijn denken bewoog zich te ver van de calvinistische regels af. Met andere woorden de protestantse kerk heeft de cultuur uit het oog verloren, en denkt met een pedanterie die haar niet past over de cultuur als "onze agnostenclub'. Pierson trekt de laatste consequenties uit het calvinisme en het zou de theologen passen als ze zich er niet van ontslagen achtten een antwoord te geven op de vragen die hij stelt.

Jaffe Vink vindt het nodig te verklaren dat hij geen kerkganger is. Waarom? Om niet geheel belachelijk te worden gemaakt door onze agnostenclub? Geen kerkganger, maar calvinist is hij in ieder geval wel en dus acht hij zich van een verstandelijke reflectie en dus van een genuanceerd oordeel over kerk en kunst ontheven. Toch wringt ook bij hem de schoen. De zaak van religie en kunst dient zich nergens zo sterk aan als bij het laatste afscheid, zegt hij. Want wat verlangt hij bij een crematie of begrafenis? “(...) een ritueel dat me opneemt en meedraagt, een gevoel dat ik meer ben dan mezelf, dat ik op de één of andere manier verbonden ben met het geheel.” Maar dat is precies wat de kunst doet en niet zozeer de kerk. Als vanouds zoekt de kunst harmonie en doelmatigheid. Dat mag je wat mij betreft ook religie noemen, maar dat is dan een weinig kritische religie. Halfzacht. Over "een primitief godsidee' gesproken.

Na Calvijn, Kant en Pierson moet je zeggen dat de kerk in esthetische beelden geheel inconsequent spreekt van een stem die niet tot het geheel behoort en die van de andere kant komt en die niet te bewijzen is. Dat is een dwaasheid (zoals de apostel Paulus zegt in zijn eerste brief aan de gemeente van Corinthe die in de bijbel is opgenomen). Deze zotheid die alle perken en al onze paradigmata te buiten gaat, noemen de theologen geloof. De dwaasheid van de christenen moet op haar redelijkheid worden doorgelicht. Maar dan blijkt zij haar analogie te hebben ... in de kunst die de perken van onze denkkaders te buiten gaat.

Met andere woorden, het protestantisme moet de verbeelding weer een plaats gunnen in haar denken. Daarbij kan ze niet heen om de middeleeuwse, voor-reformatorische theologie. Zolang kerk en theologie nalaten de verbinding onder ogen te zien tussen kunst en theologie, mag de kunst zich de legitieme opvolger van de theologie noemen. Persoonlijk blijf ik geabonneerd op de Volkskrant en NRC Handelsblad zolang de Trouwbijlage "Letter en Geest' niet "Geest en Gestalte' heet.