Politiechef grijpt de teugels

In Amsterdam hebben burgemeester Van Thijn en hoofdcommissaris Nordholt sinds kort een nieuwe werkverdeling die alleen maar buiten de CAO om tot stand kan zijn gekomen. Nordholt houdt zich, zo te zien, voornamelijk met de grote dingen bezig en Van Thijn alleen nog met de kleine. Van de burgemeester hebben we sinds lang nauwelijks meer gehoord (op het verbieden van een voetbalinterland in het Olympisch Stadion na), maar de hoofdcommissaris figureert steeds prominenter in het dagelijks nieuws.

De Amsterdamse hoofdcommissaris breekt week in week uit de staf over “de Haagse miskenning van de sociale werkelijkheid in de grote steden” en is in het krijt getreden tegenover Kamerleden die zich naar zijn mening schuldig maken aan onderschatting van de omvang en de toeneming van de criminaliteit onder allochtone jongeren. Het lijkt alsof Nordholt in Amsterdam de politieke teugels in handen heeft genomen en Van Thijn zich vergenoegt met de bescheiden representatieve verplichtingen van zijn ambt.

Dat beeld dreigt te ontstaan door de kritiek die een aantal Kamerleden op de peroraties van de Amsterdamse hoofdcommissaris heeft geuit. Maar dat beeld is sterk vertekend. Nordholt is nergens zijn bevoegdheden te buiten gegaan, hij heeft niets gezegd dat met de zuivere constitutionele verhoudingen op gespannen voet staat, hij is niet op de stoel van de burgemeester gaan zitten en hij heeft zich niet eenmaal uitgelaten over kwesties die hem niet aangaan. Hij heeft in wezen niets gezegd dat niet door de beugel kan, maar alleen de onverhulde waarheid gesproken over de “in Den Haag veronachtzaamde, uit de hand lopende criminaliteit in de hoofdstad”.

De reacties uit Den Haag hadden zakelijker en grootmoediger mogen zijn: sommige Kamerleden gaven het knorrige bescheid dat ze de verhalen van de Amsterdamse hoofdcommissaris nu wel kenden en dat hij zich beter op het vangen van boeven kon richten dan op het adviseren van de politici. En er was er zelfs één die de Amsterdamse politiechef ervan verdacht dat hij het allemaal deed om minister van justitie te worden - alsof dat een oneerbaar motief zou zijn.

Als er in dit geval al van een conflict tussen politie en politiek kan worden gesproken, dan is het zeker geen conflict tussen de hoofdcommissaris en de burgemeester, want die laatste heeft niet van een tegengestelde mening doen blijken en weet maar al te goed dat de politie, in casu de hoofdcommissaris, een onderbenutte bron van sociale kennis is, die in een met taboes beladen discussie niet de mond mag worden gesnoerd. Met een competentiestrijd zoals die welke in de jaren vijftig tussen het kabinet-Drees/ Van Schaik en de naar militaire hegemonie strevende generaal Kruls heeft gewoed, heeft dit in de verste verte niet te maken, zelfs niet met het conflict tussen minister Ter Beek en de zich tegen militaire bezuinigingen verzettende generaal Couzy.

Nordholts hartekreten zijn actualiteitencolleges die ten onrechte zijn aangezien voor politieke beschouwingen. Het zijn waarschuwingen aan de verantwoordelijke politici die serieuzere aandacht verdienen dan zij hebben gekregen. Het zou onverstandig zijn daar niet naar te luisteren, zoals het van domheid zou getuigen de politie alleen als boevenvanger te beschouwen. De politie zit met de neus bovenop de maatschappelijke werkelijkheid en weet als bijna geen ander wat er in de samenleving mis is. Nordholt is zelfs de eerst geroepene de sociale problemen die de samenleving de meeste last veroorzaken tijdig te signaleren. Onder het bestuurlijke preventiebeleid dat de politie mede is opgedragen behoort niet alleen het voorkomen en bestrijden van criminaliteit maar ook de integratie van verschillende groepen in de samenleving en het verhinderen van de opkomst van extreem-rechtse elementen.

Nordholt heeft de laatste maanden veelvuldig de noodklok geluid over de uitzichtloze positie van allochtone jongeren die tot de vaste klantenkring van de Amsterdamse recherche behoren. Op de politiebureaus worden ze in gangbaar Amsterdams bij voorkeur als "etterbakkies' aangeduid, maar het gaat erom dat ze in de kaartsystemen van een extra k zijn voorzien: van kanslozen. Dat betekent dat ze in het algemeen pover onderwijs hebben genoten, zonder werk zijn, zich aan de zelfkant ophouden en vroeger of later in criminele circuits terechtkomen, waar meestal geen ontkomen meer aan is.

De onhebbelijkheid van de Amsterdamse hoofdcommissaris is dat hij niet ophoudt dat sociale probleem onverbloemd onder de aandacht van de Tweede Kamer te brengen. Er valt over te twisten of het verstandig is de Kamerleden ook nog het verwijt te maken dat ze “de ogen sluiten voor de maatschappelijke werkelijkheid”, maar het is niet voor bestrijding vatbaar dat de grote steden met maatschappelijke problemen opgescheept zitten die te groot zijn voor die steden. Er is echter geen sprake van een naar de macht grijpende ambtenaar, maar van een kwaad geworden politiechef die politici met de neus op de feiten drukt.

De Amsterdamse hoofdcommissaris van politie heeft de zeldzame, onder moderne autoriteiten althans niet meer voorkomende eigenschap dat hij het kind bij de naam noemt en gewone mensentaal spreekt. Het is tekenend dat zoveel Kamerleden daar in feite het meest aanstoot aan nemen en daartegen hun ponteneurs in stelling brengen. Het produceren van politieke rapporten over de criminaliteit, zegt Nordholt, lost de criminaliteit niet op. “We hebben in Nederland hele graansilo's die gevuld zijn met politieke rapporten”. De sociale werkelijkheid heeft niets aan rapporten, die is alleen gediend met werkgelegenheid. “De overheid moet investeren in werk, onderwijs en kansen”, zegt Nordholt met toenemende directheid en ongeveinsde hartstocht. Nordholt is geen politicus, maar hij heeft wel de eigenschappen van de goede bestuurer - type Jan Schaefer. Die had ook niets met rapporten op. “Ik wil geen rapporten, ik wil huizen”, was zijn motto. “Want in rapporten kan je niet wonen”.