"Misschien gaan we wel nooit meer terug, "t is zo hopeloos'

Met een resoluut gebaar draait Janny Nozinovc de deur op slot van kamer A-116 in het tijdelijk opvangcentrum in Den Bosch. Dan doet ze het licht uit en steekt een kaars aan. Buiten schemert het. “Kijk eens wat ik gekregen heb”, zegt ze terwijl ze zich verkleedt. Even later heeft ze een strak zwart jurkje aan. “Mooi hè? Moeder vindt vindt hem lelijk, daarom draag ik hem alleen als ze er niet is”. Met sierlijke passen loopt ze een paar keer door de kamer van het tijdelijk opvangcentrum waar ze sinds augustus verblijft. Dan schiet ze snel weer in de spijkerbroek en draait het slot weer open.

Kleren passen, boeken lenen uit de plaatselijke bibliotheek en de dagelijkse gang naar school verdrijven de verveling en leiden de aandacht af van het nog steeds knagende gevoel van heimwee. Naar R., haar zeventienjarige vriendin, aan wie Janny via haar dagboek brieven schrijft. Naar haar geboortestreek waarover de televisie dagelijks bericht. Naar haar vader.

“Lieve R. Vandaag heb ik boeken geruild in de bibliotheek. Ik heb "Jadranka' van Zagorke meegenomen, een roman over het Kroatische volk tijdens de Habsburgse dynastie. En "Zoya' van Daniël Stil. Weet je nog R., dat we die boeken samen lazen? De dagen zijn hier allemaal hetzelfde. Ik lig op bed en lees boeken. Ik weet wat je gaat zeggen, namelijk dat boeken niet vervelend zijn maar soms heb ik er genoeg van”, schreef ze eind januari in haar dagboek.

Genoeg ook van de dagelijks terugkerende oorlogsbeelden en de onmacht van Europa om het geweld te stoppen. “Soms ben ik zo geschokt dat ik niet meer weet hoe te schrijven, hoe een zin te formuleren. Ze praten in Genève over vrede terwijl steeds meer mensen sterven. Zij zien de beelden van de slachtingen. Wat moet er nog meer gebeuren voor dat er iets tegen ondernomen wordt? Ik word misselijk van het Westen”.

De muur boven haar bed hangt vol met afbeeldingen van popsterren. Madonna is de heldin. “Jij bent de koningin, één van de grootsten. Jij hebt een thuis, geld, geluk en een vriend. Ik ben de koningin van de bedelaars met twintig gulden per week, verdriet en verder niemand”, schreef ze in haar dagboek.

Ook haar vriendin A. is inmiddels vertrokken, samen met haar ouders en haar broer is ze eind januari door familie uit Duitsland opgehaald. “Ze was legendarisch, altijd bedacht op ruzie. Het was ongewoon om haar te zien huilen. Toen het avond werd was iedereen haar alweer vergeten. Ik niet. Ik begrijp dat niet, dat ze eerst allemaal huilen en dat ze haar een paar uur later alweer vergeten zijn”.

Met eenzelfde verbazing volgt ze de verrichtingen van de Kroaten in haar geboortestreek. “Tot voor kort waren we bondgenoten, nu staan de Kraotische kanonnen richting moslims en niet richting Serviërs. Als de opdeling van Bosnië en Herzegovina doorgaat krijgen de Kroaten een grote buidschat, terwijl ze de kleinste minderheid vormen. Het ziet er naar uit dat we alles vanaf het begin moeten opbouwen. Europa zal ons niet helpen. En opnieuw zal een oorlog beginnen maar dan zal ik niet vluchten”.

Met haar moeder, haar tante Nura en haar broertje Salih telt ze de weken dat ze nog in Den Bosch is. Maar soms laat ze iets merken van twijfel over een eventuele terugkeer. “Misschien gaan we wel nooit meer terug, het is zo hopeloos”, zei ze vorige week zaterdag.

Aan R. schreef ze begin deze maand: “Alles heeft zijn begin en zijn einde. Alles wordt vereffend. Ik zal het iedereen betaald zetten.”