MESTREECHS

Rijstartele of veters? Mestreechs of Nederlands! door Jan Coumans, Piet Geelen, Joop Kurris 72 blz., Veldeke-Krink 1992, f 25,- ISBN 90 80097 42 X

Speu-len-te-re spelle door Pol Brounts en Phil Dumoulin 127 blz., Veldeke Krink 1992, f 25,- ISBN 90 800974 1 1 (2 delen f 45,-)

Maastrichtenaren vinden dat hun dialect een taal is. Er was al geruime tijd een dictionaire Maastrichts-Nederlands van dr. H. J. Endepols. Sinds kort zijn er ook een vocabulaire en een grammatica, die tezamen een leergang ("liergaank') vormen. De boekjes mogen bedoeld zijn voor jeugdige gebruikers, ze zijn zeker ook interessant voor de gevorderde spreker van het Mestreechs. Volgens de samenstellers kan men met de deeltjes "speulentere' (spelenderwijze) het Maastrichts leren. En omgekeerd het Nederlands, want Maastrichtenaren, die met hun eigen spraak zijn opgegroeid, hebben er nogal eens moeite mee om zich in behoorlijk Nederlands uit te drukken. ""Schud mij nog maar eens in,' is het al snel als ""Schenk mij nog maar eens in' bedoeld wordt.

Zelf ben ik in Maastricht geboren en gedeeltelijk getogen. Toen ik een jongeling was en me voor het eerst "onder in Holland' begaf - uitgerekend in Den Haag - bezocht ik een café. Daar zat een dame wier sjaal op de grond viel. Ik wilde haar daar attent op maken en zei: ""Mevrouw, uw schaal - neem me niet kwalijk - uw scherp is op de grond gevallen.' Ook in het dagelijks gebruik van het Nederlands schieten er nog wel eens woorden tussendoor, die op het Algemeen Beschaafd lijken, maar die niettemin puur Maastrichts (of Limburgs) zijn. Zo beschreef ik eens de inrichting van een NS-kantine. Op de formica tafeltjes lagen kleedjes, die juist een beetje te klein waren. Ik schreef dat ze "knips' waren.

Taal heeft alles te maken met de eigen nationaliteit. Er zijn moppen die in het Nederlands verteld maar half zo leuk zijn als in het eigen dialect. Of men komt door de taal nader tot elkaar. Laatst had ik een Haagse ambtenaar aan de telefoon. De communicatie verliep zakelijk en afstandelijk totdat de man - afgaande op mijn accent - vroeg of ik wellicht uit Maastricht kwam. Toen ik dat bevestigde, ging hij over op het Maastrichts waardoor ons telefoongesprek bijna geen einde nam. Maastrichtenaren kunnen in hun eigen taal namelijk geweldig ouwehoeren: als ze hun eigen taal tenminste nog kennen, want er zijn veel Nederlandse woorden ingeslopen: "krant' voor "gezèt', "tuin' voor "hoof', "veters' voor "rijstartele'. Het gebruik van het dialect kan echter ook nadelig zijn. Men sluit anderen, die de taal niet meester zijn, er mee buiten. Vooral onder rasechte Maastrichtenaren is dat een plaag. Niet-Maastrichtenaren, die zich de moeite getroostten om het Maastrichts te leren maar aan wier spraak is te horen dat ze van elders komen, worden onverbiddelijk afgestraft: ze worden in het Nederlands te woord gestaan. Vreemdelingen, die zich in de stad vestigden omdat ze haar - terecht - zo bekoorlijk vonden, keerden teleurgesteld naar hun oorspronkelijke haardsteden terug omdat ze niet of nauwelijks werden geaccepteerd. Misschien kan men naast de leergang Taal ook een leergang Compassie uitgeven.

Dat doet allemaal niks af aan het nut van de nu verschenen vocabulaire en grammatica, zij het dat een taal nog geen taal genoemd kan worden als ze over die attributen beschikt. Maar daarover laat ik graag kenners aan het woord. Wat in beide werkjes wel opvalt is dat men bij de schrijfwijze van sommige woorden kennelijk niet de eerder genoemde dictionaire heeft aangehouden. Endepols schrijft "brök', de samenstellers schrijven daarentegen "brögk'. Hetzelfde geldt onder meer voor "geklommel' en "geklomel' (geknoei), en voor "jummig' en "jummeg' (jemineetje).