"LAAT IEDEREEN GRIEK WORDEN'; Over het misverstand Griekenland

Perceptions of the Ancient Greeks door K. J. Dover (red.) 252 blz., Blackwell 1992, f 146,- ISBN 0 631 17244 0

Nos Grecs et leurs Modernes. Les stratégies contemporaines d'appropriation de l'antiquité samengesteld door Barbara Cassin 468 blz., Seuil 1992, f 68,- ISBN 2 02014 423 9

Johann Joachim Winckelmann. Een portret in brieven geselecteerd, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Hein L. van Dolen en Eric M. Moorman 429 blz., Ambo 1993, f 95,- ISBN 90 263 1197 4

The Language of the Sea Peoples door Fred Woudhuizen 236 blz., geïll., Najade Press 1992, f 84,80 ISBN 90 73835 02 X

Voor etnische zuiveringen draaiden ze hun hand niet om. Oorlog was hun normale manier van leven, en iemand die niet van dezelfde stamverwantschap was, telde toch al minder. Als een stad of eiland werd ingenomen, volgde meer dan eens een radicale schoonmaak om levensruimte voor de overwinnaars te creëren. Krijgsgevangenen werden regelmatig op routineuze wijze afgeslacht, soms met honderden en in een enkel geval met duizenden tegelijk. Anders werden ze wel gedeporteerd in slavernij, en verkocht voor harde valuta. Net als het vee waren vrouwen, alom geminacht en uitgesloten van politiek, onderwijs en openbaar leven, deel van de oorlogsbuit. Als ze geluk hadden, werden zij huisslaaf en hoefden dan slechts hun meester op zijn wenken te bedienen als die er genoeg van had jonge knapen te ontmaagden.

Dat de oude Grieken aardig waren, zal misschien niemand beweren. Wel dat ze geniaal waren, kunstzinnig, sereen, filosofisch, rationeel, de uitvinders van de democratie en bovenal humaan. Sommigen menen zelfs abusievelijk dat de mensenrechten een Griekse uitvinding zijn. De Grieken hebben een goede pers, zoals dat heet; in tegenstelling tot de "wrede' Romeinen, die christenen voor de leeuwen wierpen, "decadente' keizers hadden en met hun "militaristische' inborst de halve wereld veroverden.Het oude Griekenland daarentegen geldt als de bakermat van de westerse beschaving.

Deze opvatting behoort tot de hardnekkigste mythen van de moderne tijd. Dat is niet toevallig. Twee eeuwen lang heeft zowel de Europese oudheidkundige wetenschap als de burgerlijke samenleving veel geïnvesteerd om dat beeld te cultiveren. Het resultaat is dat tegenwoordig niemand iets zinnigs over de Grieken kan beweren zonder zich er rekenschap van te geven dat er een zware keten van canonieke interpretaties en ideologische constructies als erfenis om zijn nek hangt.

Vooral de laatste vijfentwintig jaar is door een aantal oudhistorici veel gedaan om de Helleense idylle door te prikken, of ten minste te nuanceren. Er is geschreven over de irrationaliteit der Grieken, die op een simplistische en neurotische manier gelovig en bijgelovig waren; over het feit dat de Atheense elitaire democratie van louter mannelijke burgers weinig te maken heeft met het huidige begrip democratie; dat het alledaags gedrag van Grieken beter vergeleken kan worden met dat van papoea's of eskimo's (de briljante Zwitser Walter Burkert aarzelt niet parallellen te trekken met bavianen) dan met dat van westerlingen in de geindustrialiseerde wereld, en dat het geestesleven der Grieken zo anders was dat begrip bijna uitgesloten is. Ja, er zijn zelfs oudheidkundigen die opperen dat het in Athene wel eens erg naar poep gestonken kan hebben.

KAKELBONT MONUMENT

Hoewel deze bijdragen soms enigszins doorslaan (de Grieken waren in een aantal opzichten wel degelijk origineel en begrijpelijk) hebben ze binnen delen van de oudheidkundige wetenschap tot een enorme verscherping van de discussie geleid. Het probleem is dat elders de karavaan onverstoorbaar voort lijkt te trekken. Letterlijk wel te verstaan: duizenden toeristen sjokken per jaar langs het Parthenon, maar wie van hen is ervan doordrongen dat het een kakel-bont monument van imperiale overheersing was, waarin het torenhoge beeld van Athena de ultieme uitbeelding van zelfoverschatting en vulgariteit was? Talloze jongeren stampen op school de stamtijden, maar wie van hen leert dat Spartaanse soldaten in oorlogstijd werden opgehitst door hun vrouwen die spiernaakt erotische dansen uitvoerden om hun bloeddorst te stimuleren? En wie van ons wil eigenlijk weten dat bij elke bijeenkomst van de Atheense Volksvergadering magistraten een aantal biggetjes de kelen doorsneden, ze castreerden, en met het bloed van de stuiptrekkende beesten de zetels van de geachte aanwezigen voorverwarmden alvorens de discussies over politiek konden losbarsten?

De moderne mythologie over het serene Hellas is moeilijk uit te roeien, niet alleen omdat de draad tussen het collectieve bewustzijn en de oudheidkunde steeds dunner wordt, en niet alleen omdat er een organisch beeld van de ontwikkeling van Europa mee wordt gediend, maar vooral omdat het een produkt betreft dat door de wetenschap zelf geïmplanteerd is in het westerse wereldbeeld.

Het is daarom toe te juichen dat er tegenwoordig steeds meer belangstelling komt voor de vraag hoe de moderne perceptie van de antieke wereld tot stand is gekomen en welke consequenties dat heeft gehad. En dan gaat het niet alleen om studie naar het Nachleben van de antieke wereld, de doorwerking van antieke thema's, ideeën en vormgeving in later tijd, maar ook om een soms pijnlijke analyse van de oudheidkunde zelf.

HELLENOMANIE

Het verleden jaar onder redactie van Sir Kenneth Dover verschenen Perceptions of the Ancient Greeks is daar een voorbeeld van. De bundel, waarin onder meer grootheden als Peter Burke, Carlo Dionisotti, Joachim Wohlleben en Anthony Grafton een hoofdstuk voor hun rekening hebben genomen, biedt een overzicht van de wetenschappelijke interpretaties van Griekenland door de eeuwen heen. De vraag staat centraal hoe en waarom Hellas, na eeuwen op het tweede plan achter de Romeinen te hebben gestaan, vanaf 1800 plots de quintessens van het westerse zelfbeeld werd.

In feite gaat het werk echter misschien vooral over de vraag waarom historische mythen veel meer invloed op het collectief bewustzijn hebben dan geschiedkundige kennis. Ter opheldering daarvan heeft Dover, befaamd graecus uit Oxford en schrijver van onder meer het baanbrekende Greek Homosexuality uit 1978, met dit boek in kaart willen brengen hoe de oudheidkunde niet een strijd is van de onderzoekende rede tegen ideologie, vooroordeel en hartstocht, maar daarmee ook onontwarbaar verknoopt is.

Overigens is hij zeker niet de eerste die dit betoogt. De twee belangrijkste oudhistorici van deze eeuw, Arnaldo Momigliano en Moses Finley, hebben er vaak op gewezen dat het moderne idealiserende beeld van de Grieken in velerlei opzicht gevormd is door de negentiende-eeuwse Duitse Altertumswissenschaft, die naast alle duizelingwekkende eruditie dooraderd was met noties van ras, Blut und Boden, en de superioriteit van het "arisch-Griekse' volk. Het was niet voor niets dat tijdens het Derde Rijk het gedweep met het antieke Hellas grote hoogten bereikte en de oudheidkunde gekoesterd werd door de nazi's.

Maar ook Engeland heeft, deels onder invloed van Duitsland, in de vorige eeuw een verzengende "Helle-nomanie' gekend. Dit behelste veel meer dan jongelingen die zich vergaapten aan de klassieke beelden van blote mannen en vrouwen: het was een ideologie die kunst, onderwijs, politiek en het totale wereldbeeld van de elite beheerste. Het Britse Hellenisme is wat dat betreft vergelijkbaar met omvattende seculiere geloven als fascisme en communisme.

Het was allemaal zo onschuldig begonnen toen Lord Sandwich in 1739 allerlei geroofde oudheden uit het Griekse land meenam naar Londen. Sandwich was daarmee de eerste die de culturele dominantie van het Oude Rome in zijn vaderland doorbrak (hij zal trouwens ook herinnerd worden als de uitvinder van de sandwich en vanwege het feit dat zijn matresse door een priester werd vermoord, hetgeen een unicum is in de Engelse kerkgeschiedenis). Een en ander eindigde met de bijna totale hellenisering van de Engelse bovenlaag: ""We are all Greeks'' zei Shelley, en hij meende het; ""De slag bij Marathon is voor de Engelse geschiedenis belangrijker dan de slag bij Hastings'', schreef de filosoof John Stuart Mill, en hij meende het. Het was de tijd dat The Times paginagrote stukken afdrukte in het Grieks, dat het ideaal van classical education onmisbaar werd in de constructie van de Britse gentleman: dichter en schoolinspecteur Matthew Arnold propageerde niet minder dan ""een totale fusie tussen Engelse godvruchtigheid en Helleense beschaving''.

Terwijl de Britten vergrieksten, gingen de oude Grieken in de wetenschappelijke beeldvorming steeds meer op Britten lijken: zij kregen onmiskenbaar victoriaanse trekjes, hadden zich volgens de classici beziggehouden met typisch victoriaanse problemen als kuisheid en tucht, en zelfs Plato's ideaal van een samenleving geleid door een kleine, geschoolde en benevolente elite klonk plots heel erg alsof een hogerhuislid aan het woord was.

BROEIERIGE INTIMITEIT

De ontwikkelingen in Engeland ontbreken trouwens opvallend in Perceptions of Ancient Greece. Wel is er aandacht voor minder bekende beelden van de Grieken, bijvoorbeeld die in de joodse overlevering (Grieken werden simpelweg beschouwd als "nietjoden', en dus als primitieve afgodenaanbidders die neigden tot bestialiteit, overspel, ontucht en wreedheid). Ook blijkt dat geleerden in de islamitische wereld wel hun klassieken kenden, maar niet bovenmatig nieuwsgierig waren naar wat zij zagen als een van de volkjes op het onrustige Europese continent.

Ten slotte biedt het stuk van wijlen Constantin Dimaras een aardig kijkje op de perceptie van het Oude Griekenland door de moderne Grieken. Eeuwenlang decreteerde de orthodoxe religie dat de antieken bovenal heidenen waren geweest, maar tijdens de culminatie van de vrijheidsoorlog tegen de Turken in de tweede helft van de achttiende eeuw, bleken de "Hellenen' plots een goed voorbeeld te hebben gegeven. Vooral de verovering door Alexander de Grote van het Nabije Oosten werd gezien als een regelrechte parallel met de strijd tegen de Otto-manen, en zo werd deze Macedonische heerser gebombardeerd tot een van de centrale stamvaders van "het Griekse ras' - hetgeen goeddeels de gevoeligheid der Grieken verklaart over de Macedoonse kwestie.

Onafwendbaar mondt Perceptions of the Ancient Greeks echter uit in een analyse van de broeierige intimiteit van de Duitsers met de Grieken, die zo'n enorme invloed heeft gehad op de westerse beeldvorming. Het Duitse hellenisme in de jaren 1750-1830 is volgens Joachim Wohlleben te beschouwen als een echte culturele revolutie die onlosmakelijk bestanddeel was van de Romantiek. De "ontdekker van Griekenland' was Johann Winckelmann (1717-1768), wiens brieven zojuist in Nederlandse vertaling verschenen bij wijze van biografisch mozaiek (met een informatieve maar niet overal even puntig geformuleerde inleiding). De openingswoorden van zijn befaamde pamflet Gedancken über die Nachahmung der Griechischen Wercke in der Mahlerey und Bildhauer-Kunst uit 1755, ""de goede smaak is ontstaan uit de bodem van het Oude Griekenland'', waren misschien vooral anti-Frans en antichistelijk bedoeld, maar braken radicaal met de bestaande tradities. Winckelmanns opvatting dat Griekse kunst de uitdrukking was van perfectie en volledige menselijke harmonie, maakte enorme indruk en bleef meer dan een eeuw en mischien wel tot op de dag van vandaag een fundament van de kunstgeschiedenis.

In feite ging het om de gefrustreerde romantische fantasie van iemand die de boeren-burgerlijkheid van het achttiende-eeuwse Duitsland wilde ontstijgen, zich wilde bevrijden van zijn afhankelijkheid van provinciale vorsten, en worstelde met zijn onderdrukte homoseksualiteit. ""De enige manier voor ons om groot, ja, zo mogelijk onnavolgbaar, te worden, is de antieken te imiteren,'' schreef Win-ckelmann en die woorden echoden na tijdens de gehele geschiedenis van de Duitse eenwording. Na hem kwamen Herder, Schiller, Schlegel, Lessing en Goethe, die allen meebouwden aan de Griekenland-cultus. ""Laat iedereen een Griek worden'', commandeerde de laatste, die ""de afgezant van de Griekse geest op aarde'' heette te zijn.

INNERLIJKE GRIEK

Alom werd gesproken van de "innerlijke Griek' in de Duitse Volksgeist. Anders dan in Engeland vond zo in Duitsland een sterke verknoping plaats van Graecomania en zware geschiedfilosofie: tussen de perfectie en superioriteit van de Griekse geest en het Duitse volk werd een diepe symbiose gevoeld. Dat de Duitse perceptie van Griekenland uitsluitend spriritueel was, wordt duidelijk uit het feit de voormannen - Win-ckelmann, Goethe, Ho"lderlin - de Griekse kunst slechts kenden van Romeinse kopieën, en weigerden voet op Griekse bodem te zetten. Het eigenlijke Griekenland interesseerde hen niet; de Griekse vrijheidsstrijd van 1821 kon nauwelijks boeien, en dat terwijl de "Griekse religie', zoals Wohlleben het noemt, nergens zo diep wortelde als in de Duitse aarde.

De opkomst van de academische Altertumswissenschaft in de negentiende eeuw betekende een afbrokkeling van het ideaalbeeld van Griekenland, maar was er tegelijk nauw mee verstrengeld. Geleerden als August Böckh, Friedrich August Wolf, Karl Otfried Müller en Friedrich Welcker introduceerden wel een wetenschappelijke aanpak, en een eindeloze stroom bronnenuitgaven, maar dat wil niet zeggen dat alle Goethiaanse noties verdwenen. Zo stond Wilhelm von Humboldt, de self-made filoloog die de klassieken tot basis maakte van de Duitse Bildungsbürger pal voor de visie dat de Grieken een puur autochtoon volk waren, ""primitief in de nobelste zin van het woord'', ""perfect ontwikkeld in lichaam en ziel'', en bovendien ""niet lijdend onder de negatieve aspecten van het moderne leven''. Geen wonder dat in het door hem ontwikkelde Gymnasiumcurriculum ""de drie klassieke Europese talen'', Latijn, Grieks en Duits, de hoofdmoot van de leerstof uitmaakten.

Uiteindelijk, zo beschrijft Anthony Grafton, moest dat zonderlinge samengaan van idealisering van de Grieken en de strenge wetenschap fout gaan. Enerzijds leidde het tot een schisma tussen steeds droger en futieler onderzoek en de gepassioneerde Graecomanie. Anderzijds leidde het juist tot een fnuikende kruisbestuiving: de Romantische visie op Duitsers en Grieken als superieure Indo-Europeanen, met alle connotaties van raciale zuiverheid, werd steeds dieper als geschiedkundig feit verankerd. De befaamde K.J. Beloch, wiens Griechische Geschichte uit 1883 nog altijd geldt als standaardwerk, schreef bijvoorbeeld dat alleen ""wij Ariërs'' zo'n hoogstaande cultuur als de Griekse hadden kunnen voortbrengen - dat hij dit meende, blijkt wel uit een noot in een latere publikatie waarin hij meldde ""een jood die Grieks sprak was evenmin een Griek als een jood die nu Duits spreekt een Duitser is''.

Het exposé van Grafton over de Duitse Altertumswissenschaft stopt aan het einde van de negentiende eeuw. Zijn toon is gedempt, bijna melancholisch, maar de boodschap van een intellectuele revolutie die in onheil eindigt, is duidelijk. Diezelfde boodschap is trouwens recent met meer vuurwerk verspreid door de sinoloog en semitist Martin Bernal in zijn ophefmakende Black Athena. Hij beschrijft de oudheidkundige wetenschap ronduit als een bewust racistische, Eurocentrische conspiratie met het doel alle Egyptisch, Semitische en Fenicische elementen in het oude Griekenland te verdonkeremanen, om zo de bakermat van de Westerse beschaving "autochtoon en zuiver' te houden. Zelf meent hij dat Griekenland wemelde van Egyptische kolonies die de basis legden voor wat wij de Helleense cultuur noemen.

ZEEVOLKEN

Weinigen die Bernals betoog hebben gelezen, zullen niet onder de indruk zijn gekomen van zijn gedreven, zij het niet overal even verfijnde, visie op de ontwikkeling in de oudheidkunde. Er is inderdaad ten minste vanaf Karl Müllers Die Dorier uit 1821 een obsessie geweest over het vraagstuk van de raciale oorsprong van de Grieken, waarbij traditioneel de "komst van de Grieken' naar Griekenland en de vermeende historiciteit van de "Dorische invasie' (niet toevallig ""uit het noorden'') de agenda bepaalden. En niemand zal meer ontkennen dat er racistische onder- en boventonen zijn geweest in de weerstand tegen het erkennen van invloeden uit de oost-mediterranée en de Balkan bij de wording van de Griekse beschaving.

Maar of dit nu betekent dat er inderdaad sprake was van grootscheepse Egyptische, Foenicische of Semitische penetratie in prehistorisch Griekenland is een andere kwestie. In tegenstelling tot wat sommige classici nog steeds geloven, is de wetenschappelijke traditie die dit in allerlei gradaties betoogt overigens wel degelijk voor het grootste deel serieus te nemen. Als ik het goed begrijp, past het nieuwste boek van de Nederlandse linguïst Fred Woudhuizen hier ook in.

In zijn The Language of the Sea People geeft hij een grotendeels zeer technische uiteenzetting over de door hem voorgestelde vertaling van het Lineair-A op de beroemde Kretensische Phaistosdiscus, van het Lineair-C gevonden op Cyprus, en van het Etruskisch. De hoofdlijn van zijn conclusie is duidelijk: het gaat hier om schriften van Luwische bewoners van West-Anatolië, die blijkbaar niet alleen grote delen van de Middellandse Zee bereisden vanaf 2000 voor Christus, maar nu ook geïdentifeerd kunnen worden als de mysterieuze "Zeevolken', waarvan sprake is in Egyptische hiëroglyfen, en als de Tyrseni die als stamvaders van de Etrusken worden genoemd. Grieken blijken in de ontwikkelingen in het oost-Mediterrane gebied niet meer dan perifere laatkomers.

Het boek van Woudhuizen is het laatste deel van een trilogie die hij deels samen schreef met de Thraco-loog Jan Best. Die nam ooit met klappende deuren en getrokken messen afscheid van de Amsterdamse Universiteit en doet sindsdien voor eigen rekening en risico aan wetenschap in de verwachting dat ooit de zuilen van het Parthenon samen met de traditionele visies zullen wankelen onder het spervuur van zijn publikaties.

Of de linguïstische analyse van Woudhuizen hout snijdt, valt ver buiten mijn beoordelingsverm,ogen. Wel schijnt zijn visie op de late bronstijd in het Egeïsch gebied nogal te lijden aan dezelfde kwaal die ook de zo vurig bestreden "Arische school' (om de woorden van Bernal te gebruiken) zo heeft geplaagd: de zucht tot alomvattende verklaring van gebeurtenissen waar we historisch gezien niet het minste zicht op hebben. Zo leidt dan een ontcijferde syllabe al even snel tot allesverklarende pijlen en netjes getekende invloedssferen op de kaart als vroeger een enkele opgegraven potscherf dat deed.

QUID QUID ID EST

Wat het boek van Woudhuizen wel op zeer intrigerende wijze opnieuw duidelijk maakt, is dat de vroegste Griekse geschiedenis alleen vanuit een zeer breed Oost-Mediterraan perspectief is te begrijpen. Een uitsluitend "Grieks' perspectief is zeker te beperkt. In zekere zin drukt het woord "Grieks' alleen al de discussie over "de komst van de Grieken' en "het ontstaan van Griekenland' bijna onherroepelijk terug in een negentiende-eeuwse traditie waarin slechts gedacht werd in de aangeharkte termen van de natiestaat in West-Europa.

In de klassieke oudheid was het begrip "Grieks' geen vastomlijnd woord. Voor Herodotus was de Hel-leense wereld kleiner dan voor Alexander de Grote. De eerste verhaalt zelfs nog hoe tijdens de Olympische Spelen atleten weigerden zich te meten met Macedoniërs omdat zij die beschouwden als barbaren. Zo was het begrip "Grieks' niet alleen de omschrijving van een vaag omgrensd cultuurgebied, maar net als in de moderne tijd een etiket met een ideologisch lading.

De vraag is waar dit inzicht toe leidt. Nu we misschien wel steeds minder kennis over de Grieken als vaststaand mogen beschouwen, en onze perceptie van de oudheid een onontwarbare kluwen van moderne vooroordelen, misvattingen en passies blijkt, rijst het probleem of er nog wel zicht is op een zinvolle relatie met datgene wat eens het fundament van de westerse wereld was. Dat het niet eenvoudig is hier een antwoord op te geven, blijkt wel uit de bundel Nos Grecs et leurs Modernes waarin coryfeeën als Umberto Eco, Elizabeth Anscombe, Paul Ricoeur, Gilles Deleuze, Terence Irwin en Jacques Derrida een uitweg proberen te formuleren. Dat lukt ze niet in dit boek dat al snel ten onder gaat in een waterval van hol echoënde woorden.

Mischien is dit geen wonder. Het misverstand Griekenland begon immers al bij de Romeinen, die een ronduit verknipte verhouding hadden met de Helleense wereld. In Perceptions of the Ancient Greeks betoogt Elisabeth Rawson, die overleed net voordat dit boek het licht zag, dat de Romeinen uiteindelijk zo weinig begrepen van de cultuur, dat ze even gemakkelijk idolaat waren van Griekse kunst, filosofie en levensstijl, als zonder met hun ogen te knipperen het land leegplunderden, platbrandden en verwoestten als dat zo uitkwam.

Quid quid id est, timeo Danaos - hoe het ook zij, ik vrees de Grieken, plachtten de Romeinen elkaar toe te vertrouwen als zij zich in deze kwestie geen houding wisten. Twintig eeuwen later rest slechts de verwondering, en dat is in ieder geval een vruchtbaarder uitgangspunt dan bewondering.