Kabinet besluit tot afgewogen dijkverzwaring

DEN HAAG, 13 FEBR. Het kabinet kiest voor "uitgekiende' ontwerpen voor verzwaringen van dijken langs Waal, Maas en IJssel, waarmee het landschap zoveel mogelijk wordt ontzien.

Verlaging van de tot nu toe gehanteerde veiligheidsnormen vindt het kabinet niet verantwoord. Het kabinet heeft daarmee gisteren op voorstel van minister Maij-Weggen (verkeer en waterstaat) het advies van de commissie-Boertien voor een meer afgewogen verzwaring van de rivierdijken overgenomen. Door gebruik te maken van beter uitgedachte ontwerpen wordt er minder schade aan natuur- en milieu toegebracht. De meerkosten van ongeveer 210 miljoen gulden, bovenop de ruim één miljard waar men tot nu toe van uitging, vindt het kabinet gerechtvaardigd. “Het is een zeer beperkte som”, aldus minister-president Lubbers gisteren na afloop van de ministerraad, “kosten die de prijs waard zijn.”

Rivierdijkversterkingen gaan vaak gepaard met een aantasting van het landschap. De afgelopen jaren hebben veel bewoners van rivierdijken en milieu-organisaties bezwaar gemaakt tegen de veiligheidsnorm die gehanteerd wordt. Maij-Weggen stelde de commissie-Boertien vorig jaar juli in nadat ook binnen Rijkswaterstaat twijfel was gerezen over de dijkversterkingen langs de rivieren.

De dijken werden tot nu toe zo sterk gemaakt dat de kans op overstroming 1 op 1.250 per jaar is. De door critici bepleite norm van 1 op 500 wordt door het kabinet afgewezen, enkele uitzonderingen in het bovenrivierengebied daar gelaten. Een algemene verlaging van de veiligheidsnorm van 1 op 1.250 naar 1 op 500 levert volgens het kabinet niet voldoende natuur- en landschapswinst op om op te wegen tegen de verminderde zekerheid tegen overstroming die er uit zou volgen.

Dijkversterkingen die nu aan de gang zijn (circa 30 km) zullen zoveel mogelijk aan de adviezen van de commissie-Boertien worden aangepast. Dat geldt ook voor projecten waarvoor Gedeputeerde Staten al goedkeuring hebben gegeven, maar die nog niet begonnen zijn (circa 100 km). Bij projecten die voorbereid worden maar waarvoor de provincies nog geen goedkeuring hebben gegeven (circa 300 km) moet een milieu-effectrapportage worden uitgevoerd en dient de nieuwe aanpak te worden gevolgd. Dat geldt ook voor projecten waarvan de voorbereiding nog moet beginnen (circa 250 km).