HET NIEUWE HISTORISME VAN THOMAS NIPPERDEY

Deutsche Geschichte 1866-1918, Zweiter Band Machtstaat vor der Demokratie door Thomas Nipperdey 948 blz., C.H. Beck 1992, f 102,20 ISBN 3 406 34801 7

In Nederland leven we in vele opzichten in een godzalig land waar weinig historische kwesties de actualiteit beheersen. Ook de Indonesische kwestie die na l945 ons vaderland doorkliefde, leidt allang niet meer tot enig politiek debat. Voormalige AR-voorlieden zullen als eersten toegeven dat de politiek van hun vroegere partij fout was. Zo zijn bijna alle grote geschillen uit het verleden onder de warme deken van nationale consensus of onverschilligheid geschoven.

Zelfs het trauma van de Tweede Wereldoorlog lijkt steeds minder te leiden tot heftige tegenstellingen. Zo speelt geschiedenis amper een rol in het publieke discours van onze politiek, niet als richtsnoer, maar ook niet als arsenaal waaruit partijen hun bewapening betrekken. Met de zuilen is ook de geschiedschrijving ten behoeve van de eigen kring verloren gegaan. Voor beroepshistorici is geschiedvorsing tegenwoordig niet meer dan een broodwinning. Door de droevige staat van het geschiedenisonderwijs zal de historieloosheid slechts vergroten: "All sail, no anchor', lijkt daarvoor een adequate omschrijving.

Nederland is wat dit betreft veel meer de uitzondering dan de regel. Bij onze buren liggen de zaken anders. Daar is de brandbaarheid van de nationale geschiedenis nog erg groot. Het onschadelijk maken van het verleden zal daar nog lange tijd vergen, wellicht nooit lukken, omdat de samenleving veel meer beheerst wordt door diepe kloven en oudzeer, om van wraak nog maar te zwijgen. In zo'n samenleving blijft het verleden een onruststoker. Dat geldt zeker voor Duitsland.

Niet ten onrechte is politiek in het Duitse verleden wel eens voor een vorm van amper onderdrukte burgeroorlog gehouden. In dat land neigt het verleden er niet toe tot een door bijna iedereen aanvaarde geschiedenis te worden. En omgekeerd is de kans dat een rustiger politiek vaarwater wordt bereikt klein, zolang die historische erfbelasting nog zo'n belangrijke rol speelt. Hoe kan bijvoorbeeld een socialist vandaag in Bismarck een vader des vaderlands zien, terwijl deze politicus het nieuwe keizerrijk slechts beheersbaar achtte wanneer de socialisten buiten de wet werden geplaatst? Omdat Bismarck wel Duitsland verenigde, maar de Duitsers niet, zal over zijn politieke erfenis niet gauw een warme deken van consensus getrokken kunnen worden.

Bovendien dreigt steeds weer het gevaar alles in de Duitse geschiedenis vóór l933 als aanloop tot de machtsovername door de nazi's te zien. Het dilemma voor historici - het was natuurlijk geen toeval, maar anderzijds stond het allerminst tevoren vast dat het moest lopen zoals het ten slotte is gelopen - is inzake het Duitse verleden nog veel zwaarder dan inzake andere onderwerpen.

WISSELS

Zo blijft het balanceren: het is enerzijds weliswaar fout om in Bismarck een proto-nazi te zien, maar anderzijds zijn er toch in zijn tijd, mede door hem, een aantal wissels gesteld die de rit naar l933 op zijn minst niet hebben helpen verhinderen of bemoeilijken. Levend na l945 kan men zich moeilijk aan dat soort vragen ontworstelen. Het is bijna onontkoombaar in termen van rechtvaardiging of veroordeling te spreken. Het lijkt wel alsof Duitse geschiedenis manicheïstisch geschiedbeelden uitlokt.

Een historicus die zich in zijn werk van dit soort fundamentele dilemma's van de Duitse geschiedenis ten volle bewust is geweest en dat bewustzijn duidelijk in zijn verhalend geschiedwerk heeft uitgedrukt, is de vorig jaar overleden Thomas Nipperdey (1927-1992). Hij heeft een groot oeuvre nagelaten dat bij het onlangs verschijnen van het derde, afsluitende deel van zijn Deutsche Geschichte een nadere beschouwing verdient. Dit laatste deel van zijn omvangrijke geschiedenis van Duitsland is onder grote tijdsdruk tot stand gekomen, omdat de auteur wist dat de dood hem op de hielen zat. In het voorlaatste deel sprak hij de hoop uit dat God hem nog de tijd zou geven zijn werk af te maken. Dat is hem nog net of net niet gelukt, maar daarover straks meer.

Nipperdey heeft vaak gepleit voor ""een nieuw soort historisme', en dat pleidooi heeft hij met succes in zijn Deutsche Geschichte in praktijk gebracht. Volgens hem moeten de episodes van de geschiedenis zelfstandig op hun eigen karakter bezien worden en niet, als de zogenaamde "kritische historici' doen, bekritiseerd worden vanuit het latere perspectief. Geschiedenis moet bovendien, aldus Nipperdey, niet opgeofferd worden aan een politieke functie, om als lesmateriaal te dienen en daarmee burgers van nu weerbaarder te maken tegen de kwalen van de wereld. Dat gaat èn ten koste van het historisch inzicht èn ten koste van het inzicht in de huidige problemen. Historici zijn rechters noch officieren van justitie. ""Leichen prügeln' is geen werk voor geschiedschrijvers, vond Nipperdey.

Hieruit af te leiden dat Nipperdey een ouderwets Rankeaanse geschiedschrijving bepleit, zou een groot misverstand zijn. Hij hecht weliswaar sterk aan het geschiedverhaal - minder aan tabellen of sociaalwetenschappelijke theorieën - maar zijn geschiedverhaal is meer gericht op structuurveranderingen en de keten der gebeurtenissen dan op grote figuren die de geschiedenis gemaakt zouden hebben. Het gaat hem om economische, godsdienstige, ideologische en vele andere ontwikkelingen die de voorwaarden bepaalden voor de politiek. Daartoe behoren uiteraard ook de veranderingen binnen het statensysteem waarvan het nieuwe Duitse keizerrijk deel ging uitmaken.

GROOT HATER

Zo schrijft Nipperdey uitvoerig over de aard van het tweede Duitse keizerrijk zonder de aandacht te concentreren op de persoon van zijn "schepper' Bismarck. Wel gaat hij in op diens "Konfliktstrategie und Hassleidenschaft': Bismarck was immers naar eigen zeggen een groot hater, en zijn emotionele investeringen in de politiek die hij voerde, had verstrekkende betekenis voor de Duitse geschiedenis.

Nipperdey meent dat diep geboord moet worden om het perspectief daarop scherper te krijgen. In zijn geschiedverhaal ligt de klemtoon op de dubbelzijdigheid en ambivalentie in het Duitse verleden. In dit laatste deel van zijn Geschichte, waarin hij de jaren vanaf l866 behandelt, schrijft hij verontschuldigend: ""In de manier waarop wij ons verleden en onze geschiedenissen vertellen, wordt aan de individualiteit van personen ongetwijfeld tekort gedaan. Het veelkleurige en karakteristieke en het toevallige in het vlechtwerk van de historische structuren, dat ligt nu eenmaal buiten ons ideaal van de totale greep en een alomvattend perspectief op een halve eeuw.'

Maar Nipperdey waarschuwt tegelijk dat deze structurele benadering er geenszins toe mag leiden dat het gewicht van individuele beslissingen onderschat wordt. Steeds weer beklemtoont hij het open karakter van het verleden, toen men de uitkomst van de ontwikkelingen, die de blik vanuit ons perspectief bepaalt, nog niet kende. Daarom dient de historicus de toekomstbeelden van toen in zijn geschiedwerk een ruime plaats te geven. Het verleden, zo onderstreept Nipperdey keer op keer, heeft niet één continuïteitslijn, maar vele. Dat thema heeft hij op magistrale wijze in een klassiek artikel over l933 en de continuïteit in de Duitse geschiedenis nog eens zeer helder uiteengezet (opgenomen in de bundel Nachdenken über die deutsche Geschichte, uitgegeven bij DTV).

PLURALISME

Nipperdey is tegen polarisatie en tegen eenzijdigheid met alle verkettering die daarbij hoort. Hij pleit steeds weer voor pluralisme in de geschiedschrijving, tegen het primaat van de economie ten opzichte van de politiek of omgekeerd. Uitgangspunt van zijn werk is de ""relatieve autonomie' - een van zijn voorkeursbegrippen - der deelgebieden, pas daarna kan de wisselwerking in kaart gebracht worden. Pluralisme en internationalisering - dat wil zeggen buiten Duitsland kijken - van de geschiedwetenschap kunnen volgens Nipperdey de consensus versterken. Historici moeten proberen zich te ontworstelen aan die Duitse ziekte van de stellingenoorlog.

Daarom ook heeft Nipperdey zich zo scherp gedistantieerd van de door de filosoof Jürgen Habermas uitgelokte ongelukkige "Historikerstreit' tegen historici als Ernst Nolte. In deze Duitse burgeroorlog onder historici - met de kenmerkende "vriend of vijand' tweedeling en bijbehorende verdachtmakingen - kon hij geen enkel heil zien. Anderzijds moet gezegd worden dat Nipperdey voor Noltes steeds gekker wordende opvattingen over het nazisme weinig begrip meer heeft getoond.

Het was diezelfde afkeer van loopgravenpolemiek die Nipperdey ten slotte na veel strijd en eindeloze discussies in de nasleep van 1968 de Vrije Universiteit van Berlijn deed verlaten. In l971 verhuisde hij naar de liberalere universiteit van München.

Toen het eerste deel van zijn Deutsche Geschichte in l983 verscheen, werd het door vriend en tegenstander met veel lof verwelkomd. Het omvangrijke boek behandelt de periode van l806 tot l866: vanaf het einde van het Duitse Keizerrijk door de inval van Napoleon tot Bismarcks broederoorlog tussen Pruisen en Oostenrijk. Dit deel opent met de veel geciteerde zin: ""In den beginne was Napoleon.' Machten van buiten hebben immers steeds weer hun wil aan Duitsland opgelegd: in l648, l806, l8l5, l9l9, l945. Het boek werd in de kritieken structuurgeschiedenis van de bovenste plank genoemd, en dat was terecht. Het heeft een breedte die men in grote overzichtswerken zelden aantreft. Bijna alle recente onderzoeksresultaten waren opgenomen, zonder dat het boek tot een omgevallen kaartenbak is verworden. De grote informatiestroom wordt steeds onderbroken door vignetten en aperçus waardoor het de lezer makkelijker wordt gemaakt het geheel van de periode beter te overzien en even op adem te komen.

Zo is het een uitstekend boek geworden met veel zinnen die nu al tot vaak geciteerde aforismen zijn geworden. Een van de bekendste is te vinden aan het slot: ""Es ist ein Kernpunkt der Tragik der deutschen Geschichte dass sich die Deutschen als politische Nation nur durch Teilung haben konstituieren können [...] Adolf Hitler ist eine späte Geburt jener Teilung von l866 [...]. So leicht entlässt uns eine grosse geschichtliche Entscheidung, eine so tragische Wende nicht.'

DUNNER EN ZWAKKER

De lof die deel I van Deutsche Geschichte geoogst heeft, is niet meer uitgestort over de volgende twee delen. Zoals gezegd is Nipperdey gezien zijn grote haast minder toegekomen aan het "doorwerken' van zijn tekst. We worden wel geconfronteerd in de twee vervolgdelen over de periode l866 - l918 met een ongelooflijke hoeveelheid informatie, maar het weefsel is dunner en zwakker. Men blijft ook teveel de helpende hand herkennen van assistenten die als waterdragers hebben gediend, te weinig de hand van de meester zelf. Maar wellicht hangt dit tekort ook wel samen met de geringere beeldbaarheid, de grotere onoverzichtelijkheid van deze periode, en de zeer uiteenlopende tempi van ontwikkeling die minder duidelijk doorlopende lijnen vertoont.

Zo omvat dit derde deel meer dan 900 bladzijden dicht bedrukte tekst, die vragen om nadere bewerking door een auteur die ons door de bomen het bos blijft aanwijzen. Dat gebeurt in dit deel te weinig; de rode draden, de grotere verbanden zijn niet steeds zichtbaar, in ieder geval minder dan in deel I. Nipperdey heeft te weinig afstand kunnen nemen. Het boek houdt daardoor iets brokkeligs.

Zo gaat bijvoorbeeld het middelste deel, dat handelt over "Arbeitswelt und Bürgergeist', enigszins ten onder aan het zeer brede spectrum van onderwerpen dat het aansnijdt: het leven van alledag, secularisatie, seksuele relaties, het gehele onderwijsstelsel en de kunsten. Er is werkelijk bijna geen onderwerp te bedenken dat niet ergens in deze "totale' geschiedenis van de periode 1866 tot 1918 - de twee delen samen zijn ruim l700 bladzijden - aan bod komt.

Met deze breedte maakt Nipperdey duidelijk hoe ongelooflijk complex en ambivalent de ontwikkelingen in de Duitse samenleving waren. Als illustratie daarvan schrijft hij in een autobiografische schets over zijn jeugd als professorenzoon: ""Das Leben war von Fragen und Reden und Reflektieren geprägt, war mit historischem und literarischem Wissen gekoppelt, war immerzu kommentiertes Leben.'

Deze kanttekeningen bij Deutsche Geschichte zijn geenszins bedoeld als kritiek. Men kan er slechts bewondering voor hebben dat de auteur zijn werk nog voor de oprukkende dood heeft weten af te maken. We moeten tegelijkertijd vaststellen hoe groot het verlies is dat de Duitse geschiedwetenschap heeft geleden door de dood van deze historicus.

De geschiedenis was voor hem, hoe donker een periode ook mocht zijn, wit noch zwart. "Die Grundfarbe der Geschichte ist grau, in unendlichen Schattierungen", aldus besluit Nipperdey zijn grote werk.