Geschreeuw in "Siberië' laat de toeschouwer murw achter; Kinderen verklaren de oorlog

Kindervoorstelling: Siberië door Huis aan de Amstel, vanaf 9 jaar. Tekst: Roel Adam. Regie: Liesbeth Coltof. Spelers: Debbie Korper, Adri Overbeeke e.a. Gezien: 6/2, Akademietheater, Utrecht. Tournee t/m eind maart.

De voorstelling begint met kanongebulder, ontploffingen en het geratel van machinegeweren in de verte. Ook later is er sprake van vuurlinies en het naderend front, zonder dat de gevechtshandelingen een naam en een jaartal krijgen. Het geluid is ongetwijfeld symbolisch, want Siberië mag dan aangekondigd zijn als komedie en draagt daar ook alle theatrale kenmerken van, maar op het toneel woedt van begin tot eind een tragische strijd, een oorlog tussen ouders en kinderen.

De volwassenen zijn de agressors. Het echtpaar Siberië runt een hotel. Vader is een slappeling op geruite pantoffels, die alleen gevoel kan opbrengen voor de jeneverfles. Moeder is een kijvende kenau met gebeeldhouwd kapsel, die ijskoud verklaart haar dochter bij het Leger des Heils gekocht te hebben. Helemaal onwaarschijnlijk lijkt dat niet, want de zestienjarige Katja laat zich met gebogen schouders in een veel te krappe kinderjurk heen en weer commanderen. “Ik ben een speelgoedbeest. Een opwindspeelgoedbeest voor grote mensen.”

Dan overschrijdt moeder Siberië toch een grens, wanneer zij haar dochter letterlijk verkoopt aan een bikkelharde zakenman - zette ooit zijn zoontje bij de vuilnisbak omdat het een "rotkind' was - die nog een slordig miljoen op de familie te vorderen heeft. Vanaf dat moment begint het verhaal in eenparig versnelde beweging langs talloze verrassende wendingen en hilarische momenten naar een fraaie ontknoping te rollen. Katja bindt de strijd aan met het volwassen front en vindt een onverwachte bondgenoot in een jonge inbreker. Een echte overwinning is haar niet gegund. In het hartverscheurend slotbeeld droomt ze weg in een zonnige toekomst, na per abuis een glas vergif achterover geslagen te hebben: “Je hebt van die meisjes die zitten op paardrijden. Die zijn altijd vrij rijk. Leuke hoedjes hebben die op.”

Het is een van de schaarse windstille momenten tussen de stormen van tekst- en speelgeweld die door de lobby en over de rood beloperde trappen van hotel Siberië razen. Met overgave en talent storten de acteurs zich op het onophoudelijk stoten van hoofden en afklemmen van vingers, zich bedienend van het brede gebaar en elastieken gezichtsspieren. In een moordend tempo vuren ze hun venijnige, door zwarte humor geblakerde zinnen op elkaar en op de zaal af. Het misverstand bij het merendeel van de spelers - hoe gemener mijn tekst, hoe harder ik moet schreeuwen - doet de toeschouwer uiteindelijk de das om en laat hem na vijf kwartier murw in zijn stoel achter.

Dat het in jeugdtheaterland terecht succesvolle duo Adam / Coltof eens iets anders wilde proberen na de ernst en de zwaarte van De koning sterft, Ifigeneia koningskind en Kinderjaren, is begrijpelijk. Dat dientengevolge het voor het werk van beiden zo kenmerkende vermogen tot intimiteit in deze voorstelling bijna geheel ontbreekt, is een groot gemis.