Demirel tart Turken met hulp Armenië

Ondanks protesten vanuit de Turkse bevolking heeft de Turkse premier Demirel positief greageerd op buitenlandse verzoeken via Turks grondgebied het noodlijdende Armenië te mogen helpen. Veel Turken vinden elke hulp aan de Armeniërs een stoot in de rug van Azerbajdzjan.

ANKARA, 13 FEBR. Wat beweegt de Armeense autoriteiten, zo vraagt men zich in Turkije verbijsterd af, om een nieuw militair offensief in de enclave Nagorny Karabach te lanceren terwijl het openbare leven in Armenië zo goed als stilligt als gevolg van gebrek aan voedsel, elektriciteit en brandstof? Uitgerekend op een moment dat de Turkse premier Süleyman Demirel juist had toegezegd de humanitaire hulp vanuit Westerse landen en Syrië aan Armenië niets in de weg te zullen leggen, daarmee de publieke opinie, het parlement en zelfs een deel van de coalitieregering trotserend.

Hoewel Turkije het eerste land was dat Armenië erkende na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, weigert Ankara diplomatieke betrekkingen met Jerevan aan te knopen zolang de nu al vier jaar durende oorlog in Nagorny Karabach niet wordt beëindigd. Nagorny Karabach is de enclave die deel uitmaakt van Azerbajdzjan, maar die voornamelijk wordt bewoond door Armeniërs. Turkije heeft sterke banden met het broedervolk in Azerbajdzjan, maar stelt zich op het standpunt dat niet mag worden getornd aan de soevereiniteit van de beide landen. Dat zou alleen nog maar tot meer onrust leiden in een regio die toch al gebukt gaat onder etnische twisten en waar ook Iran probeert zijn invloed te vergroten.

Door de economische blokkade die Azerbajdzjan eenzijdig tegen Armenië heeft ingesteld, is de nood daar inmiddels groot. Herhaalde oproepen aan Turkije om handelsbetrekkingen met Jerevan aan te knopen vinden geen gehoor in Ankara, zolang de diplomatieke betrekkingen niet zijn geregeld. Armeniërs kunnen de grens met Turkije oversteken om individueel handel te drijven - zoals nu langs de Zwarte-Zeekust van Turkije op speciale Russische markten gebeurt. Maar verder reikt de Turkse welwillendheid op dit moment niet.

Dat zou bovendien indruisen tegen de publieke opinie in Turkije, die elke ondersteuning aan Armenië afschildert als een stoot in de rug van de Azeri. Zo stuitte het besluit eind vorig jaar van de regering-Demirel om Armenië 100.000 ton graan te schenken op felle protesten vanuit de Turkse bevolking - beslist niet alleen in kringen van religieuze fundamentalisten. Ook een tweede overeenkomst met Jerevan, de levering van elektriciteit, bracht de gemoederen in Turkije en in Azerbajdzjan in beroering. Vice-premier Erdal Inüon bleef niets anders over dan na een bezoek aan Baku de crisis te bezweren met de mededeling dat de kwestie door Ankara opnieuw zou worden bezien.

Tot nu toe heeft Armenië dan ook nog steeds geen elektriciteit ontvangen vanuit Turkije, dat een overschot in de grensstreek heeft van 200 megawatt. Volgens een Turkse diplomaat gaat 180 megawatt daarvan nu naar het buurland Georgië, waarmee Turkije eveneens nauwe betrekkingen onderhoudt, ondanks de burgeroorlog tegen de Abchazen, een moslimvolk in het christelijke Georgië dat voor autonomie strijdt. Ankara steunt president Sjevardnadze en zijn pogingen om de soevereiniteit van Georgië te handhaven.

Bovendien gaat er elektriciteit naar de enclave Nachitsjevan, die in Armenië ligt, aan Turkije grenst en wordt bewoond door Azeri. In antwoord op de economische boycot van Azerbajdzjan heeft Armenië de kraan naar Nachitsjevan zo goed als dichtgedraaid. Daardoor zijn de 350.000 bewoners voor voedsel en andere hulp vrijwel volledig op Turkije aangewezen. Voor Armenië blijft dus nog slechts een klein restantje elektriciteit over, waarvan bovendien op dit moment nog hoogst onduidelijk is hoe die in het buurland kan worden afgeleverd.

Ondanks de protesten reageerde Demirel eind vorige maand positief op oproepen van onder andere Frankrijk, de VS en de Armeense gemeenschap in Syrië via Turkije hulpgoederen aan Armenië te mogen leveren. “Je kunt je buurman toch niet laten creperen”, zo verweerde de Turkse premier zich op een persconferentie. Wel had hij het Westen laten weten dat niet alleen Armenië, maar ook Nachitsjevan zou moeten worden geholpen. Op die oproep heeft in ieder geval Washington positief gereageerd.

Maar Azerbajdzjan vindt dat Turkije zich ook in deze kwestie te soepel opstelt. De hulp aan Armenië zou zich strikt moeten beperken tot de meest elementaire levensmiddelen. “Een volk dat geen last heeft van een knorrende maag”, zo liet Baku bij monde van zijn ambassadeur in Turkije weten, “is niet bereid om over vrede te praten.”

Dat argument wordt gretig door de Turkse pers opgepikt nu Armenië met een legereenheid van zeker achthonderd soldaten een nieuw militair offensief heeft geopend in Nagorny Karabach. En naarmate er meer berichten over doden aan de kant van de Azeri binnenkomen, wordt het vraagteken groter dat in Turkije wordt gezet bij de uitspraak van Demirel. Is de hulp aan Armenië echt wel zo dringend nodig als Jerevan beweert?

Maar de Turkse premier heeft ook andere belangen. Want ondanks de crisis over Nagorny Karabach zijn Armenië en Turkije de afgelopen maanden naar elkaar toe gegroeid. Zo heeft Turkije inmiddels de eis laten vallen dat Jerevan voor het aanknopen van diplomatieke banden zou moeten beloven dat het niet langer een claim legt op de Turkse grensstreek rondom de berg Ararat, die door de Armeniërs als hun nationale symbool wordt gezien. “Ook al zouden de Armeniërs hun bankbiljetten willen voorzien van de berg Ararat”, aldus een Turkse diplomaat, “dan zouden wij dat niet interpreteren als een indicatie dat onze soevereiniteit in het geding is.” Ankara is er inmiddels van overtuigd geraakt dat de huidige machthebbers in Jerevan niet uit zijn op gebiedsuitbreiding, zoals de Armeense bevrijdingsorganisatie ASALA, die eind jaren zeventig en begin jaren tachtig zeker veertig Turkse diplomaten vermoordde.

In Armenië zou - zeker door president Levon Ter-Petrossian en zijn aanhangers - nu ook soepeler worden aangekeken tegen de kwestie van de vermeende Armeense genocide in 1915 in Turkije, waarbij volgens de Armeniërs zeker anderhalf miljoen mensen omkwamen. Niet voor niets stuurde Ter-Petrossian zijn minister van buitenlandse zaken, Raffi Hovanassian, een in de VS opgeleide advocaat, in oktober de laan uit nadat deze op een bijeenkomst van de Raad van Europa in Istanbul scherpe kritiek had geuit op Turkije en de manier waarop dit land Armenië isoleerde in de regio. De indruk bestaat dan ook in Ankara dat de anti-Turkse gevoelens vooral leven onder de Armeniërs in de diaspora, groter in omvang dan de 3,3 miljoen inwoners van Armenië. Dezen zouden meer en meer kiezen voor de pragmatische invalshoek dat je je buren nu eenmaal niet zelf kunt uitzoeken, maar er wel mee moet leven.

Dat geldt evenzeer voor Turkije dat toch al omringd wordt door landen waarmee de betrekkingen nu niet bepaald probleemloos zijn, zoals Irak, Iran en Griekenland. “Wat Demirel voor ogen staat”, verklaarde een Turkse diplomaat, “is een vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en mensen tussen de landen in de Kaukasus en Turkije”. Want op de lange duur wil Turkije immers aardgas en olie vanuit Azerbajdzjan en Centraal-Azië via pijpleidingen naar Turkije - voor verder vervoer naar het Westen - aanleggen. En dat kan niet zonder de medewerking van ook Armenië.