De politieke cyclus

PREMIER LUBBERS deelde op zijn gebruikelijke persconferentie vrijdag na afloop van de ministerraad het volgende mee: in verband met de conjuncturele tegenvallers, de ontslagen in diverse bedrijfstakken en de dreigende recessie verlaagt het kabinet een aantal belastingen en doet extra uitgaven voor stadsvernieuwing, aanleg van bruggen en tunnels om de economie impulsen te geven.

Om alle misverstanden te voorkomen - dit is verzonnen. Het zou mooi zijn en het zou ook moeten, maar het is niet zo en het kan ook niet. Het is triest dat het niet kan, dat de zeven vette jaren niet zijn benut om de overheidsfinanciën dermate op orde te brengen dat er nu voldoende ruimte is om anti-cyclische overheidspolitiek te voeren. Misschien zijn democratieën niet zo geschikt om wanneer het voor de wind gaat te sparen voor slechtere tijden - burgers willen altijd méér - al is het sommige landen beter gelukt dan Nederland.

Zeker is ook dat de politieke elite uit de jaren zeventig, die in de Nederlandse politiek en samenleving nog goeddeels de dienst uitmaakt, zich een weg naar de top heeft gebaand met de roep om méér. Zij draagt dan ook mede verantwoordelijkheid voor het laisser-faire waarmee het laatste decennium is nagelaten orde op zaken te stellen. De fatale zelfgenoegzaamheid waarmee menig politicus Nederland voor “af” verklaarde en een gebrek aan urgentie bevestigde, heeft ertoe geleid dat de fundamenteel verkeerde verhouding tussen consumptie en investeringen in de jaren tachtig niet is omgekeerd - lees: dat tijdige sanering van de verzorgingsstaat achterwege is gebleven.

IS DIT DE SCHULD van een enkel iemand, bijvoorbeeld van premier Lubbers? Ach, was het maar zo eenvoudig. Natuurlijk is ook hij aan het begin van zijn premierschap aangespoord om met de geest van de jaren zeventig af te rekenen. Het rapport van de commissie-Wijffels uit nota bene het eigen CDA suggereerde hem in 1983 een “confrontatiepolitiek” om de strijd aan te binden met “het kwartaire levensgevoel” in de samenleving, waar een fixatie op rechten en op zelfontplooiing de houding van de burger jegens staat en samenleving kenmerkte. Maar een premier kan niet te ver voor de troepen uitlopen, anders is hij snel uitgeregeerd. Wie te laat is wordt door de geschiedenis gestraft, maar wie te vroeg is ook. In elk geval is ook Lubbers die confrontatie grotendeels uit de weg gegaan en dank zij de vrolijk opgaande conjunctuur van de jaren tachtig kon dit ongestraft gebeuren.

Anderzijds mag van politici op bepaalde momenten meer worden verlangd dan de vaardigheid om de boel bij elkaar te houden - hoe belangrijk dat op zichzelf ook is. Het gaat hier om de eeuwige afweging tussen tactiek en strategie, tussen pappen en nathouden en de politieke gok om een ruk te geven aan het roer. Met alle risico's vandien.

De persoon van Lubbers is slechts een symbool van zijn politieke generatie. Ook zijn vice-premier komt voort uit de emancipatoire context van méér rechten, meer zekerheden en consumptieve herverdeling om zich nu terug te vinden in de rol van betrouwbare kasbeheerder. Voor de liberalen lagen de accenten anders, maar met de jezelf-zijn-campagnes van de jaren tachtig hoorden zij tot de hoofdstroom van die tijd.

DE WENDING die zich nu in de samenleving voltrekt, is niet gering. Er is overal decompositie te bezichtigen, of het nu om de Sovjet-Unie gaat, de Europese Gemeenschap, de verzorgingsstaat of Philips en IBM. Het onderwerp individualisering, waar hier te lande zoveel opwinding over bestaat, is daarbij vergeleken een bescheiden en kwestieuze voetnoot. Met deugden waaraan in zo'n proces van decompositie behoefte is - plichtsbesef, arbeidsethiek, gemeenschapszin (“een beetje patriottisme” verlangde het liberale blad Die Zeit onlangs zelfs) - weten de kiezers van deze jaren-zeventig-generatie weinig raad. Het is misschien een mentale salto te ver. Ze zijn gevormd en groot geworden in een overigens destijds begrijpelijk verzet tegen een klimaat van soberheid. Naast alle fraaie en onvermijdelijke dingen heeft dit ook geleid tot een fatale neiging onder de bevolking om zichzelf niet zozeer als deel van een democratisch systeem te beschouwen maar eerder als klant van een openbaar service-bedrijf dat slechts ertoe dient burgers te verzorgen en te bevoordelen. De oude rot Van Dam, die de jeugd anderhalf decennium terug nog achter zich wist door iedereen boven de achttien jaar een eigen woning te beloven, viert nu zelfs een come-back met dit gegeven als analytische troefkaart.

NEDERLAND STAAT aan de vooravond van een paar magerder jaren. Hij had het zien aankomen, zei Lubbers vorige week in het wekelijkse gesprek met de minister-president, en hij had daarom vorig jaar een SER-akkoord helpen bevorderen voor loonmatiging en werkgelegenheid.

Was het maar zo eenvoudig.