De perfecte techniek bestaat alleen in theorie

ROTTERDAM, 13 FEBR. Een mooie stijl van schaatsen leidt niet automatisch tot de snelste tijden. Snelste tijden worden zelden gereden in de mooiste stijl. Kijk maar naar het geploeg en geklapwiek van de Duitse Gunda Niemann, vorig weekend in Berlijn toch weer wereldkampioen. Kijk ook naar Bart Veldkamp, de grootste stilist van het Nederlandse trio. Maar niet de snelste op het ijs.

Ab Krook, de bondscoach van de mannenploeg, spreekt niet graag over de verschillen tussen zijn pupillen. Hij wil ze niet voor het hoofd stoten of zelfs maar dat risico lopen. Voor Krook zijn alle leden van de kernploeg gelijk. Maar dat wil nog niet zeggen dat ook hun stijlen hem in gelijke mate strelen.

Sprekend over Veldkamp wordt de analyticus Krook bijna lyrisch. Dan gaat hij ritmisch heen en weer wiegen zoals Veldkamp in de bochten. “Elegant”, vindt hij dat, en “goed getimed” en “heel zorgvuldig”. Een lust voor het oog. Heel anders dan die ongecompliceerde recht-toe-recht-aan stijl van Falko Zandstra. Een stijl die “niet echt subliem is, niet echt mooi diep”. Maar wel “geweldig effectief”. Heel anders ook dan het “robuuste” schaatswerk van krachtmens Rintje Ritsma.

Maar wat koop je voor een mooie stijl zolang er langs de schaatsbaan nog geen juryleden staan die punten geven voor de schoonheid van bewegen? Schaatsers rijden niet hun rondjes om het publiek esthetisch te behagen. Stijl is als een oogopslag of glimlach: de manier waarop een persoonlijkheid zich uitdrukt. Stijl is een karakter dat zich voortbeweegt. Tekenend voor de persoon, maar niet bepalend voor zijn rendement.

Techniek, dat is een heel ander verhaal. Zonder een goede techniek wordt niemand wereldkampioen. Ook niet Gunda Niemann. Haar stijl mag er dan bonkig uitzien, technisch rijdt ze wel degelijk effectief. Niet perfect, maar niemand schaatst perfect. De perfecte techniek bestaat alleen in theorie. In werkelijkheid is geen mens gebouwd om aan dat biomechanische ideaalbeeld te voldoen.

Ideaal zou zijn als een schaatser alleen maar zijwaarts afzet. Zijn glijsnelheid is groter dan de streksnelheid van zijn knie, dus als hij naar achteren afzet kan hij maar weinig kracht ontwikkelen omdat de weerstand steeds onder zijn schaatsen vandaan schiet, wat ten koste van zijn momentum gaat. Maar geen mens houdt het vol om die benen telkens weer opzij te duwen, in een volmaakt rechte hoek ten opzichte van zijn glijrichting. Zelfs topschaatsers zetten daarom altijd nog een beetje naar achteren af.

Techniek blijft een compromis tussen het biomechanisch ideaal en wat functioneel-anatomisch mogelijk is. Die haalbaarheid wordt begrensd door bouw, samenstelling van de spieren, coördinatievermogen en kracht. Falko Zandstra weet ook wel dat zijn luchtweerstand vier keer zo groot is als zijn glijweerstand bij een rondje van 30 seconden. Hij zou het kunnen weten. Dan zou hij ook snappen hoeveel hij zou winnen als hij zichzelf nog eens twee centimeter kleiner kon maken. Net zoals Veldkamp: door zijn knieën dieper te buigen. Maar Zandstra is Zandstra. Als gevolg van een oude botbreuk kan hij zijn enkel niet optimaal buigen. Zoals Veldkamp zich opvouwt, Zandstra lukt dat nooit.

En Veldkamp weet ook wel dat hij zoveel mogelijk recht naar voren moet schaatsen. Zoals Zandstra al van jongsaf aan heeft gedaan. Zoals Rintje Ritsma zich dit seizoen heeft aangeleerd. Niet met van die brede halen die alleen maar meters kosten en dus tijd. Maar als Veldkamp die kortste weg neemt, gaat dat ten koste van zijn afzet. Dus van zijn snelheid. Wat voor Zandstra ideaal is, wordt Veldkamp fataal.

Biomechanisch ideaal en functioneel-anatomische werkelijkheid zijn in de loop der jaren wel steeds dichter naar elkaar toe gegroeid. Dat komt door de professionalisering van de schaatssport. Toenemende concurrentie leidt tot natuurlijke selectie: alleen schaatsers met een optimale bouw en spierhuishouding kunnen de internationale top nog bereiken. Hoewel die ontwikkeling volgens Krook nog lang niet zover is gevorderd als bij atletiek of basketbal. In de ogen van de bondscoach een bewijs dat de schaatssport nog altijd niet tot volledige wasdom gekomen is. Werd Roberto Sighel met zijn weinig ideale lengte van 1,69 meter vorig jaar niet toch nog wereldkampioen?

Professionalisering leidt via intensieve en gerichte training ook tot verbetering van de specifieke conditie. Een voorwaarde voor benadering van het biomechanisch ideaal. Krook verbaast zich altijd over de mensen die roepen dat je eerst de techniek moet polijsten voordat je aan de conditie gaat werken. Alsof die twee geen siamese tweeling zijn. Zonder specifieke conditie zou geen schaatser 25 rondjes lang over het ijs kunnen glijden, gekromd als een komma. Want elk mens is geboren om rechtop te lopen. “Alleen door verdere ontwikkeling van de specifieke conditie kunnen schaatsers een houding aannemen die volstrekt onnatuurlijk is”, zegt Krook.

Neem de actieve valbeweging. Een schaatser verplaatst zijn lichaamsgewicht van het standbeen naar het andere been. Heel natuurlijk. Zo deden Fred Anton Maier en Ard Schenk het. Zo werden hun benen niet moe. Maar rondjes van 32 konden ze op die manier nooit rijden.

Koss en Zandstra en Veldkamp slagen daar tegenwoordig wel in, maar zij hebben dan ook hun toevlucht genomen tot de passieve valbeweging. Zij blijven zolang mogelijk op hun afzetbeen staan, ook al heeft hun lichaam de val opzij al ingezet. Daardoor kunnen ze meer kracht leggen in hun afzet. Waarom zij dat wel weten vol te houden? Omdat ze een betere specifieke conditie hebben dan Maier en Schenk.

Krook hoeft de rondetijden niet te zien om te kunnen vaststellen dat Zandstra langzaam uitgeput raakt. Aan een flits heeft hij al voldoende om te weten dat de coördinatie niet meer helemaal klopt. De beweging is niet volledig rond meer, het lijf is licht omhoog gegaan, het afzetbeen wordt iets meer rust gegund. Hij merkt het ook direct als Veldkamp worstelt met zichzelf. Dan hapert de passieve valbeweging en ligt het lichaamszwaartepunt te ver naar voren.

“Maar corrigeren tijdens een wedstrijd kun je wel vergeten”, zegt Krook. “Als het niet lekker gaat, weet een schaatser in negen van de tien gevallen zelf wel hoe hij dat moet verhelpen. Maar of hij daar ook werkelijk toe in staat is? Misschien dat het hem conditioneel of coördinatief op dat moment niet lukt. Dat kan met spanningen te maken hebben, waardoor zijn lichaamshouding net iets anders is geprogrammeerd.”

Volgens Krook kun je alleen maar schaven aan techniek als een schaatser enig idee heeft wat hij doet. Daarom laat hij nieuwe leden van de kernploeg ook altijd op vier A4-tjes beschrijven hoe ze schaatsen. Om vast te stellen in hoeverre ze een beeld hebben van hun eigen bewegingen. Dat levert wetenschappelijke verhandelingen maar ook hele simpele schetsen op.

Zo heeft Veldkamp een heel gedetailleerd bewegingsbeeld. Hij kan het zich permitteren om twee weken voor een groot kampioenschap nog een kleine verandering aan te brengen in zijn slag. Moet die aanpassing weer ongedaan worden gemaakt, dan is hij daar van het ene op het andere moment toe in staat. Zo'n ingreep zou volgens Krook bij sommige andere leden van de kernploeg “dodelijk” zijn.

Zandstra heeft bij voorbeeld nauwelijks een bewegingsbeeld. Dat moet je hem ook niet proberen op te dringen, vindt de bondscoach. Dat komt geleidelijk wel. Zandstra heeft nu eenmaal van nature “een geweldig effectieve techniek”.