Clubwerk

Op zichzelf is het een gunstig teken dat een instelling als de Club van Schiermonnikoog zich over de toekomst buigt, maar het zou er nog slechter voor ons uitzien als deze club de enige was. Overal in ons land komen regelmatig gezelschappen bijelkaar die de zware problemen bespreken. Ik geloof dat ik lid ben van drie clubs die het maatschappijkritische denken niet uit de weg gaan. Toevallig liep ik dezer dagen in een van die drie weer eens even binnen.

Daar zat een psychiater uit de Freudiaanse traditie van wie ik destijds veel heb geleerd. We hadden elkaar in jaren niet gezien; de ontmoeting was hartelijk. Hij vertelde dat hij op het platteland was gaan wonen, in een minder ontgonnen streek van Noord-Holland, zo dicht mogelijk bij de natuur. Ik vroeg hem of hij daar ook nog veel patiënten met moderne bezwijkverschijnselen had. Dat bleek mee te vallen. De nabijheid van de aarde had hem een nieuwe kijk op het leven gegeven - hij bewoog zijn vingers alsof hij er wat rulle grond doorheen liet gaan - en daarna vertelde hij hoe hij vijftien jaar geleden met tegen de duizend loten van elzen, populieren en eiken onder beide armen de polder was ingetrokken. Nadat die waren gepoot had hij er niet meer naar omgekeken en nu was het een bos. Het leek me sterk omdat elzen en populieren veel sneller groeien dan eiken zodat er van de eiken niet veel te zien zou zijn. Hij sprak dat tegen, een bos was een bos en daarin kreeg ieder gewas zijn kans. Hij kon het weten want hij begon zichzelf steeds meer met een boom te vereenzelvigen en zodoende was hij tot de overtuiging gekomen dat hem nog maar weinig kon gebeuren. Langzamerhand kregen we de indruk dat we het volkomen eens waren. Misschien moesten er een paar aanbevelingen voor het Nederlandse volk worden opgesteld waarbij zijn stelling dat alle produktie afval veroorzaakt de grondslag zou zijn. En niets over de voedselketen? Ja, die ook natuurlijk.

Dit bracht hem op een ander onderwerp. Hij had zich laten betrekken in een machtsstrijd die in de top van weer een andere club werd uitgevochten. Wat dacht ik van zekere goeroe die daar de lakens uitdeelde? De goeroe in kwestie beweegt zich al tientallen jaren in de toppen van alle mogelijke clubs waar hij op den duur een soort partenogenese tot stand brengt; hij heeft een spoor van groepen, gezelschappen en clubs achtergelaten en nu was hij kennelijk weer bezig.

""Wat moeten we doen?'' vroeg hij.

""Eruit gooien'', zei ik.

""Ja maar dan gaat hij een nieuwe club stichten!''

""Dat hindert niet. Er zijn nooit genoeg clubs in Europa'', stelde ik hem gerust.

We bespraken nog een paar veelbelovende plannen en toen moest hij weg, naar een vergadering. Ik werd aangeklampt door een ander clublid die me bijval betuigde over de manier waarop ik onlangs bepaalde misstanden in de Nederlandse literatuur aan de kaak heb gesteld.

De volgende ochtend vroeg moest ik naar een club die deze keer een paar financiële vraagstukken op de agenda had. In het bijzonder ging het om de misstand veroorzaakt door grote bedrijven en de overheid die er aan het terrorisme grenzende methoden op na houden als ze hun eigen vorderingen moeten incasseren, maar hun kleine schuldeisers maanden op betaling laten wachten. Daaruit ontstaan enorme winsten op rente voor deze concerns terwijl de kleine man feitelijk de zak wordt gerold. Wat te doen?

Ik stelde voor dat we om te beginnen de Tweede Kamer zouden benaderen. Hoongelach. Toch meende ik het en dus zette ik door. Mijn voorstel is dat de traag betalende bedrijven na zekere tijd, een maand ongeveer, een woekerrente van twintig procent in rekening wordt gebracht. Die zou dan in een meetkundige reeks oplopen. Na nog wat heen en weer gepraat werd met algemene stemmen besloten dat een stuurgroep tot taak zou krijgen een manifest voor te bereiden.

Daarna kwam het kwaad van de graffiti aan de orde. Opnieuw deed ik een simpel voorstel: de kosten van het schoonmaken zou op de spuitbusfabrikanten moeten worden verhaald. Die zouden een en ander in de prijs van het produkt doorberekenen, zo werd de spuitbus financieel buiten het bereik van de gemiddelde graffitist gebracht en na een poosje werd er weer alleen op bonafide manier met verf gespoten.

Zoals dat met simpele gedachten meestal gaat: na veel bijval neemt een spelbederver het woord. Deze had twee scenario's. Door verhoging van de spuitbusprijs zou de werkgelegenheid op twee manieren worden aangetast: de spuitbusfabrikanten zagen hun omzet dalen waardoor werkgelegenheid op de tocht kwam, en de schoonmaakbedrijven zouden zich een belangrijk terrein zien ontgaan waardoor er nog meer werkgelegenheid op de tocht kwam. Ik wierp tegen dat prijsverhoging van de spuitbus tot hogere winst van de fabrikant zou leiden, en als die zou worden teruggesluisd naar het bedrijf werd er juist een stuk werkgelegenheid extra verzekerd, wat in deze tijd geen luxe is. Bovendien zou door de schone steden het toerisme naar ons land toenemen, wat het eventueel verlies van werkgelegenheid in de schoonmaaksector ruimschoots kon compenseren. Ook de herscholing zou nog banen kunnen opleveren.

Toen kwam de spelbreker met zijn tweede scenario. ""Wat gebeurt er bij verhoging van de spuitbusprijs? De voorhoede van de graffitisten zal daardoor niet van zijn kunstbeoefening worden afgeschrikt. Die jongelui zullen zich op andere manieren geld verschaffen, en over het algemeen is dit het geld dat in de tasjes van de oude dames zit.''

Dit argument gaf de doorslag. De oude dames, werd op de vergadering van deze club besloten, zitten toch al bijna aan het einde van de voedselketen. Verhoging van de spuitbusprijs zou daarom onverantwoord zijn. Als je het goed bekeek, schreeuwde de maatschappij juist om prijsverlaging: meer werkgelegenheid en veiligheid op straat. Met één stem tegen besloot de club, de grote politieke partijen dienovereenkomstige aanbevelingen te doen.

Het zijn kleine voorbeelden maar ze laten zien hoeveel belangrijk clubwerk er in Nederland wordt gedaan.