Aanslag Winterspelen op milieu beperkt; "Desnoods graven we ons in en schieten we op die barbaren, klonk het in onze kringen'

LILLEHAMMER, 13 FEBR. Het Norges Naturvernforbund is in Lillehammer gevestigd aan de Faberggate 106. Drie hoog doen directeur Olav Myrholt, public relationman Kare Olerud en enkele secretaresses hun werk in een doolhof van kamertjes en gangetjes, vol met paperassen. De telefoon staat niet stil. Sinds de bond voor het natuurbehoud geregeld intens overleg voert met het organisatiecomité (LOOC) van de Olympische Winterspelen van volgend jaar in Lillehammer, trekt hij steeds meer belangstelling, met name van de media. Verwonderlijk is dat niet, aangezien het Naturvernforbund en het LOOC elkaar vóór hun opmerkelijke samenwerking haatten.

Olerud herinnert het zich nog goed. Toen Lillehammer zich aan het begin van de jaren tachtig sterk maakte om het olympische winterfeest naar het 23.000 zielen tellende stadje te halen, vloog zijn bond in de gordijnen. “Samen met andere verenigingen voor natuurbescherming”, vertelt hij, “bundelden we onze krachten, want we vreesden voor een ware aanslag op het milieu in onze prachtige regio Oppland. Desnoods graven we ons in en schieten we op die barbaren, klonk het in onze kringen.”

De vrienden van de natuur kregen in hun strijd de nodige steun: veel inwoners van het in 1827 gestichtte stadje vroegen zich af of ze met het olympische circus ook de duivel zouden binnen halen. Wat zou er heel blijven van hun monumentale woonhuizen en straatjes? Verder was er de angst voor een “Montreal-syndroom”, het risico dat de mensen nog jaren voor een financiële ramp moesten betalen.

“De eerste grote slag hebben we verloren”, bekent Olerud gelaten. Dat gebeurde toen de landelijke politiek met het organiseren van de Winterspelen instemde. De conservatieve partij H⊘yre was vóór, de Arbeiderpartiet was verdeeld en de Socialistisk Venstreparti tegen. De uitslag maakte de weg vrij voor voorzitter Juan Antonio Samaranch van het Internationaal Olympisch Comité, die het sportevenement in september 1988 aan Lilehammer toewees.

Het was een klap voor de milieuclubs, die prompt verdeeld raakten. De ene vleugel wilde het LOOC keihard blijven bestrijden, eventueel met blokkades van de bouwwerken. De andere groep, waaronder het Naturvernforbund, legde zich grommend neer bij de nederlaag, maar vond dat de tijd nu rijp was voor “een constructieve dialoog”. Olerud: “We wilden daarmee proberen er nog het beste van te maken. De grote beslissers moesten worden bestookt, zodat de schade voor ons landschap beperkt bleef.”

Naturvernforbund en zijn zusterverenigingen kregen hulp uit een onverwachte hoek. Na een brief aan de Noorse overheid, waarin ze “dramatische vernielingen van wouden” voorspelden, zegde Oslo de clubs een werkkapitaal van ruim drie ton per jaar toe. “Kennelijk was onze kritische houding dat de regering waard”, lacht Olerud. “Ze zal er geen spijt van krijgen.” Directeur Myrholt van Naturvernforbund, intussen op aandringen van het ministerie wekelijks gesprekspartner van het LOOC, heeft flink aan de weg getimmerd. Zijn eerste bezwaarschrift (met suggesties) aan Samaranch bleef onbeantwoord, sinds hij de hoogste IOC-official in 1989 ontmoette zijn ze echter goede maatjes. Maar toen Samaranch een jaar later naar Hamar kwam om naar de plannen voor de olympische schaatsbaan te kijken, werd hij toch nog geconfronteerd met een tamelijk massale demonstratie.

Olerud: “Het LOOC wilde in Hamar een hal, in de vorm van een lelijke hangar, laten bouwen midden in een reservaat, waar vogels van talloze variëteiten neerstreken om energie op te doen voor hun reis naar het warme zuiden. Dat gebeurt alleen over ons lijk, hebben we meteen geroepen. En we riepen het volk op. Meneer Samaranch hielden we de IOC-president voor, de olympische beweging mag zo'n ingrijpende aanslag toch niet op zijn geweten hebben? Hij toonde alle begrip. U weet dat er nu een prachtig Vikingschip ligt, op een honderdtal meters van de aanvankelijk gekozen plaats. En dat het aantal toegangswegen en parkeerplaatsen zo veel mogelijk is beperkt. Het was voor ons een groot keerpunt: het LOOC maar vooral het IOC begreep, voor het eerst in de geschiedenis, dat het milieu een plaats verdient bij het organiseren van massale sportevenementen.”

Sindsdien hebben het LOOC en de Noorse natuuractivisten elkaar aan de vergadertafel bestreden. Het LOOC kwam meestal als winnaar tevoorschijn. Bijvoorbeeld toen het ging om de vraag of een nieuw ski-station noodzakelijk was. Naturvernforbund vond dat een bestaande accommodatie, bij Faberg op de westelijke oever van de rivier de Lagen, heel geschikt was om tot olympisch strijdtoneel te worden verbouwd. Het LOOC hield vast aan de aanleg van nieuwe pistes ten oosten van het eigen Lillehammer, in een wat Olerud omschrijft als “een maagdelijk gebied met prachtige bossen”.

Bij het construeren van de biathlon-baan boekten de natuurvrienden geen gering succes. Enkele bedreigde zeldzame plantensoorten werden gespaard, het totale terrein is verkleind en de naar schatting 500 kilo lood die in Lillehammer bij deze sporttak wordt verschoten, zal met zorg worden opgeruimd. Naturvernforbund heeft geen invloed gehad op de aanleg van de olympische ijshockeyhal, die in het dopje Piovik in een rots is uitgekapt. Toch is ze er best tevreden over, zegt Olerud: “Want je ziet het ding bijna niet, je kunt er zo naar toe wandelen en het is vriendelijk wat energieverbruik betreft. Het is er al koud binnen, de koelinstallatie zorgt zelf voor enige warmte voor het publiek en de verwijderde keien zijn gebruikt voor het maken van een kunstmatig strand in een meer.”

De grootste ergernis van Olerud en de zijnen vormt de bobbaan. Olerud had gehoopt dat deze olympische discipline, met betrekkelijk weinig beoefenaars, van het programm zou zijn afgevoerd. “Helaas gebeurde dat niet. De baan hier kostte 195 miljoen kronen (meer dan zestig miljoen gulden, red.), waanzin. Weggegooid geld, want wie zal dat ijs - het energieverbruik is even groot als dat van heel Lillehammer - later nog gebruiken? Gelukkig hebben we nog wat eisen aan de bouw kunnen stellen. Mocht de ammoniak, nodig voor het vriezen, gaan lekken, dan loopt die vloeistof keurig terug naar de bron. Daardoor hebben omwonenden hier geen zuurstofmaskers nodig zoals in Albertville. En het aantal gekapte bomen hebben we kunnen beperken: de bouwer klaagde daarover steen en been, zijn speelruimte was letterlijk krap en op elke niet aangewezen boom die hij raakte stond een boete van 50.000 kronen.”

Olerud grijnst naar zijn directeur Myrholt, die na de zoveelste vergadering van die dag zijn kamertje binnen stapt. Myrholt ziet er vermoeid uit. Maar is ook trots. Terecht. Naturvernforbund en enkele van zijn Noorse zusterverenigingen hebben een belangrijk gevecht geleverd. Binnen de Olympische Spelen, waar sport en commercie hand in hand gaan, begint ook het milieu enigszins mee te tellen. Olerud struikelt bijna over een stapel papier en snelt weer naar zijn bureau. De telefoon staat niet stil aan de Faberggate 106.